Sjaak van der Velden

Titanenwerk over het NAS voltooid

De grootste vakcentrale van Nederland, de FNV, is na een heftige interne crisis alweer enige jaren aan het opkrabbelen. De crisis liet naast een aantal praktische en personele problemen een conflict zien tussen twee stromingen binnen de FNV-organisatie.

Er bestond onder een deel van de bestuurders de neiging om de centrale te zien als een zaakwaarnemer voor de leden onder het motto ┤U vraagt en wij draaien┤. De andere stroming wilde de macht meer aan de leden geven en bleek vaak ook een visie van maatschappijverandering voor te staan. Het conflict is niet zozeer opgelost als wel bevroren door een structuur verandering waarbij de vakcentrale een ledenorganisatie is geworden en het nieuw in het leven geroepen ledenparlement een grote rol toebedeeld kreeg. Omdat niet alle bonden zijn meegegaan in de structuurverandering is de FNV nu een beetje hybride organisatie. We kunnen wachten op het volgende conflict. Inhoudelijk staat de centrale nog vooral een politiek van belangenbehartiging voor binnen het kapitalisme. Dat is niet veranderd in de ruim 110 jaar dat de FNV en haar rechtsvoorloper het NVV (dat met het katholieke NKV in 1976-1980 fuseerde) bestaat.

Bij de oprichting van het NVV in 1906 was die keus voor belangenbehartiging gemaakt. Al leefden er toen binnen de nieuwe organisatie nog wel enige sentimenten dat de arbeiders de macht in handen moesten krijgen. Maar de aanhangers van die gedachte waren toch vooral belangenbehartigers en de revolutionaire sentimenten doofden allengs uit. Er had echter ook een andere keus kunnen worden gemaakt want het NVV kwam tot stand in een strijd tussen twee visies op de taak van de vakbeweging. De eerste zag de vakbeweging als een middel tot omverwerping van het kapitalisme, waaraan de dagelijkse vakbondsstrijd ondergeschikt was. De NVV stroming daarentegen stelde die dagelijkse strijd juist voorop en wilde in samenwerking met de politieke strijd in de vertegenwoordigende lichamen van de parlementaire democratie verbeteringen voor de arbeiders verkrijgen.

De eerste stroming werd sinds 1893 belichaamd in het NAS dat tot zijn door de Duitse bezetter gedwongen opheffing in 1940 een luis in de pels van het veel grotere NVV is geweest. Tijdens de interne discussies van de FNV was kennis van de geschiedenis van het NAS misschien wel van pas gekomen, maar die geschiedenis was nog niet geschreven. Weliswaar werkten Piet Hoekman en Jannes Houkes al sinds het begin van deze eeuw aan een proefschrift over het NAS, maar dat liet lang op zich wachten. Niet vreemd voor promovendi die hun werk moesten verrichten naast een baan. En daar ligt het dan. Een pil van 532 bladzijden die nog wel wat dikker was geweest als voor een prettiger leesbaar lettertype was gekozen. Dat het lang heeft geduurd voor het boek er was, heeft ongetwijfeld ook te maken met het uiteindelijke resultaat. Nauwgezet volgen de auteurs de geschiedenis van het NAS, bijna van dag tot dag. De chronologische geschiedenis kabbelt voorbij; het lijkt wel of de auteurs hebben geprobeerd om zelfs het kleinste feit dat ze in de archieven en andere bronnen tegen kwamen in het boek op te nemen. Voorwaar een bijna middeleeuwse aandoende kroniek zoals in de eervorige eeuw Bymholt al publiceerde over de geschiedenis van de arbeidersbeweging.

Daarmee hebben Hoekman en Houkes misschien wel het definitieve boek over het NAS geschreven. Waarom zou iemand nog een keer al dat materiaal doornemen om onderzoek te doen naar een organisatie die uiteindelijk toch niet veel meer dan een splinter binnen de gehele vakbeweging is geweest? Een splinter waarvan het voortbestaan zich voortsleepte. De ondergang leek eigenlijk onafwendbaar in de ook al voor 1940 groeiende welvaartsstaat die een toegenomen rol voor de vakbeweging betekende. Als revolutionaire organisatie kon het NAS twee dingen doen. Meebuigen en zijn revolutionaire karakter verliezen of er tegenin blijven gaan en steeds marginaler worden. De grote man Henk Sneevliet stelde nog voor om als comitÚs te gaan functioneren en zo de grote organisaties scherp te houden. De leden en bestuurders bleken daar in meerderheid niet voor te voelen en dus sukkelde de club voort. Dat persoonlijke belangen van de bestuurders daarbij een rol hebben gespeeld, ze hadden immers een baan via de bond, toont dat niets menselijks deze mensen vreemd was, maar stemt ook wel een beetje droevig.

Bij een modern historisch proefschrift hoort eigenlijk een plaatsbepaling in het wetenschappelijk debat, een theoretische verhandeling over de gekozen visie, het opstellen van een of meer hypothesen en aan het eind een toetsing van die hypothesen. Een antwoord op de vraag of de theorie al dan niet is gefalsificeerd sluit het boek vervolgens af. Hoekman en Houkes hebben hun best gedaan om dit spel ook te spelen, maar het lijkt erop alsof ze de theorievorming er maar een beetje bij hebben gesleept. In kort bestek laten ze wat theorie de revue passeren, met name het onderscheid tussen pragmatisch instrumenteel handelen en expressief optreden om vervolgens de hele geschiedenis nauwgezet uit de doeken te doen. Het gaat hun vooral om het vertellen van het verhaal, de geschiedenis van die andere vakcentrale die tot het eind als doel had om zowel de directe belangen van de arbeiders te behartigen als om de strijd voor een andere maatschappij te voeren. Het doel dat zij zich hebben gesteld, lijkt goed geslaagd en dat ze er weinig theorie in hebben verwerkt, doet daar niets aan af. Want het is een geschiedenis die ook voor tegenwoordige vakbondsactivisten en bestuurders de moeite waard is om te kennen omdat die tegenstelling in de geschiedenis telkens weer de kop heeft opgestoken. Daarom is het titanenwerk dat de auteurs hebben verricht een mooie aanvulling in de boekenkast van iedereen die zich bezighoudt met de geschiedenis en praktijk van het vakbondswezen.

Het verhaal kan zo zijn weg vinden in de algemene geschiedenis van de vakbeweging. Of maken Houkes en Hoekman nog een ingekorte publieksversie die in de lopende discussie binnen de vakbeweging een rol kan spelen?

Piet Hoekman en Jannes Houkes, Het Nationaal Arbeids-Secretariaat 1893-1940. De geschiedenis van de eerste vakcentrale in Nederland, Proefschrift Universiteit Utrecht 2015. [klik hier voor een pdf-versie]