Ruud Beeldsnijder

'Ik schijt en lag eens met de justitie'
Het sociale verzet tegen de imposten 1700-1710.


Tussen het Aansprekersoproer van 1696, met zijn diepe sociale achtergrond, en het Pachtersoproer van 1747 is het lang onrustig gebleven. Met name door het steeds toenemend verzet tegen de zware druk van de imposten heeft 'het veelhoofdig beest, dat als uitgelaten en bezeten de tamboers met hunne trommels in de gracht smeet, en de soldaten met messen, stokken en stenen zoo digt knelde dat enige van die op hun knieën om lijfsgenaê baden', vooral van 1700 tot 1710 tot vele kleinere opstanden geleid.  Het Amsterdamse volk bleef oproerig.

Voor de Nederlandse steden in de 17e en 18e eeuw golden verbruiksbelastingen en belastingen op de commercie als een vaste bron van inkomsten. Burgers werd geld gevraagd voor de uitvoering van bestuurlijke zaken en verdediging. In de Republiek waren dergelijke bevoegdheden overgenomen van de vroegere landsheren. In de steden werden de vorderingen gewoonlijk geïnd door een of twee collecteurs of accijnsmeesters, later werden ze in het openbaar verpacht.

Over imposten en impostmeesters
Tot 1747 waren de imposten verpacht en lieten daarom weinig sporen na in openbare archieven. Men achtte het niet nodig alles op schrift te stellen en verschillende overeenkomsten konden vanwege hun compromitterend karakter niet worden genoteerd. Veel werd onthouden en in de praktijk gebeurde niet alles wat werd geordonneerd.  De imposten werden op den duur steeds ingewikkelder, hetzij om fraude te voorkomen, hetzij om er meer uit te halen.

Zij waren een zware last. Temple, een Brits diplomaat en essayist, zei bij zijn bezoek aan Holland dat de aanslagen zeer hoog waren. Naar hij gehoord had, moest men in Amsterdam, voordat een schotel vis met gewone saus kon opgediend kon worden, al 30 verschillende belastingen hebben betaald. In veel gevallen was voor particulieren de impost in de prijs verrekend, maar sommige imposten werden gecombineerd met de hoofdelijke omslagen op grond van gegoedheid, dus met de 200e penning, 'bij forme van quotisatie'. Dit gold bijvoorbeeld voor de wijn, waarvoor gegoede burgers voor een bepaald bedrag voor hun wijnverbruik werden aangeslagen.

De impostmeesters waren verantwoordelijk voor het afdragen van de imposten. Uit notariële acten blijkt dat er voor één impost vaak twee of drie impostmeesters waren die soms voor een aantal jaren verschillende imposten tegelijk in handen hadden. Zij hadden vérdragende bevoegdheden en genoten de steun van de overheid. Overigens gaven de pachten aanleiding tot kibbelarijen over de te betalen sommen over de afgelopen termijnen. Wilden de impostmeesters geen verlies lijden, moesten ze geslepen zijn om de vele fraudes te ontdekken. Daarvoor hadden zij opzichters en collecteurs aangesteld aan wie zij tegen betaling een deel van de pacht overdroegen. Ook onderpachten waren mogelijk. Het blijkt dus dat de impostmeesters een grote macht hadden en deze duurde net zo lang tot door het oproer van 1747 aan de ergste misbruiken een eind werd gemaakt.

Plundering van het huis van belastingpachter Van Aarssen aan het Singel te Amsterdam 1748.

De willekeur van de pachters was eveneens een reden die de bevolking tot ontduiking van en in verzet tegen de impost bracht. Ontduiking op grote schaal werd mogelijk door slechte administratie en te weinig toezicht. De bevolking zag overigens het sluiken of ontduiken niet als een misdrijf, maar slechts als het benadelen van de pachter, die men als een afperser beschouwde. Elk verzet was dus geoorloofd. Maar ook de bedragen die aankomende impostmeesters moesten betalen waren sterk onderhevig aan willekeur. Men kon van de impostmeesters dus niet verwachten dat zij zich bij het incasseren van de impost niet door willekeur zouden laten leiden.

De keuren of ordonnanties
Door middel van keuren (of ordonnanties), werd voorgeschreven wat moest worden betaald. Voor Amsterdam was de impost op de wijn van groot belang, vanwege de accijns die zij in de stadskas bracht en dat gold ook voor bier. De verordening of keur van de Amsterdamse vroedschap (1586) over de wijn-accijns en vooral over de ontduiking daarvan is de leidraad geweest voor latere keuren en ordonnantiën. Voor de verschillende soorten wijn werd de accijns die de pachter moest ontvangen, vastgesteld, maar desondanks viel niet te controleren of de pachter soms met minder dan de voorgeschreven bedragen genoegen nam, en zoals men dat noemde, 'accordeerde'.

Voor het bier golden zowat dezelfde voorschriften als voor de wijn. Het bier werd immers niet uit het buitenland geïmporteerd, maar in Amsterdam of andere steden gebrouwen. De hoeveelheid keuren en bepalingen met betrekking tot de bierimpost maakt het niet gemakkelijk een duidelijk overzicht te krijgen. De belangrijkste keur van de Amsterdamse vroedschap (1586) werd vele malen vernieuwd en uitgebreid. Ook de tappers dienden belasting te betalen. Hoeveel de 'burger' betaalde blijkt uit een acte uit 1706. Aaltje Cornelis, wonend in de Sloterdijkermeer en de 'tapneringe' doende, verklaarde dat zij van een bierbeschooier (bierbeschooiers voorzagen de stad van ingevoerde bieren) te Sloterdijk een half vat Rotterdammer bier voor drie gulden en tien stuivers had gekocht. Daarop had ze aan impost betaald zeven zesdehalven (oude munt) en voor de cedul (geleidebiljet) van de impost, vier stuivers en een duit. Daarmee waren alle rechten voldaan.
 
De impost op het gemaal leverde de meeste moeilijkheden op. De oorsprong van deze 'gemene impost' op het 'hard koren dat gemalen en gebrooken zal worden' was geankerd in het recht van de stad. De belangrijkste keur stamde uit de laatste jaren van de zestiende eeuw. Hierbij werd bepaald dat van alle tarwe-, rogge-, gerste-, haver- of tonnemeel, binnen de stad gebakken en gebrouwen en van het gebakken brood van buiten komend, aan diegenen die het molengeld hadden gehuurd betaald moest worden: voor een mud tarwe vier, een mud rogge twee stuivers, voor dezelfde hoeveelheid gerst of mout een stuiver en acht penning.

De bakkers mochten geen brood bakken zonder bewijs dat de accijns op het gemaal was betaald. Invoer of uitvoer van meel mocht slechts met toestemming van de accijnsmeester. Verder mocht niemand gort of meel voor verkoop in zijn huis ontvangen. Voor van buiten komend brood moest men per mud tarwebrood vier stuivers betalen, voor een mud roggebrood twee penningen. Dit brood mocht alleen op de gewone weekmarktdagen in de stad worden verkocht, uiteraard na betaling van de accijns. Verder mocht niemand, poorter of vreemde, koren naar een molen brengen om binnen de stad te verbakken of verbrouwen, zonder daarvan eerst van de accijnsmeester een 'teijcken' te hebben gehaald en de accijns daarvoor betaald. Dit 'teijcken' moest aan de molenaar worden gegeven nadat het bewaard was tot zaterdag na de middag. Dan pas mocht het koren worden gemalen. Op overtreding stond een boete van drie gulden voor elke mud koren, die in strijd met de keur was gemalen, boven de gewone straf.  Uiteraard mocht niemand meel om te verbakken of te verbrouwen, in zijn huis opslaan, zonder hierover de accijns te hebben betaald.

De collecteur of pachter van de accijns mocht, alleen of met de pachter van de gemene landsmiddelen, in de huizen of kelders van de tappers de daar aanwezige wijnen peilen (de voorraad opnemen). Fraudeurs kregen een boete van 600 gulden. De accijnsmeester, wiens pacht was ingegaan, mocht alle bakkers en brouwers visiteren en zou in de molen de accijns ontvangen van alle granen die niet verbakken of verbrouwen waren. Er waren ook voorschriften voor scheiding op afstand. Wijnkopers en wijntappers mochten niet dichter dan twee huizen naast elkaar wonen. Dat was nodig omdat wijnkopers vaak in het geheim hun wijn naar een tapper lieten brengen en die daar voor hun rekening lieten verkopen. Verder mocht niemand uit huizen van wijnkopers of herbergiers naar particuliere of naar tappershuizen wijn dragen in flessen, kruiken of kannen (1678).

Alleen gezworen bierdragers mochten in hun huis, pakhuis of kelder, wijn 'inleggen'. Zij behoorden tevoren van de wijnkopers een cedul, uitgegeven door de accijnsmeester te ontvangen, waarin de kwantiteit en kwaliteit van de wijnen en de plaats waar ze waren opgeslagen, werden vermeld. Wijnkopers mochten in hun huizen, pakhuizen of kelders geen gelagen zetten of kroeg houden. Wijntappers waren verplicht een krans of twee pinten uit te hangen waaruit bleek dat zij wijn tapten. Zij moesten ten behoeve van het land de impost van negen oxhoofden wijn verantwoorden en ook de accijns en het fortificatiegeld voor de stad én hun naam en woonplaats opgeven bij de commissarissen van de grote accijns. Alleen meiden of knechts van de tappers mochten, ten gerieve van de burgers, een kan met twee mingelen bezorgen.

Uit de keuren blijkt dat de verimposting van de wijn ongeveer op deze wijze diende te verlopen: de grossier of zeehandelaar importeerde zijn wijn en sloeg deze op in zijn kelder. Wanneer hij aan de wijnkoper ging verkopen, gaf hij binnen twee maal 24 uur het adres van de wijnkoper aan de pachter op. De bierdragers bezorgden de wijn. Daarna ging de wijnkoper de wijn aan de tapper verkopen. Vóór hij dat deed, ging hij naar de pachter en gaf de hoeveelheid en kwaliteit van de wijn op èn de tapper die van hem zou kopen. De pachter gaf hem een accijnsbiljet, dat veertien dagen geldig bleef. Wanneer de bierdrager de wijn naar de tapper bracht kreeg hij van de wijnkoper het accijnsbiljet dat hij dan weer bij de pachter moest bezorgen. De bierdrager moest het dan weer bij de pachter bezorgen. De pachter wist dus waar de wijn was en kon bij de tapper komen peilen. De impost op het bier werd betaald door de afnemer, op de plaats waar het bier uit de brouwerij hem geleverd werd. Vaak was daar een loodsje, waar de bediende van de impostmeester kantoor hield. Bierdragers mochten geen bier in huizen brengen vóór ze een cedul, uitgegeven door de accijnsmeester, hadden gekregen. (Noordkerk 1748). Wanneer die mankeerde, moesten ze de bieren op straat laten liggen of in een buurmans huis brengen. Voor schade door sluiking waren de bierdragers aansprakelijk. De cedullen voor het scharbier (het goedkope bier voor de kleine man) zouden gratis worden gegeven, maar van alle nabieren of andere kleine bieren, die duurder dan twaalf stuivers waren, moest de accijns worden betaald. Alleen tappers mochten in huis of kelder bier en scharbier tegelijk hebben. De prijs voor het scharbier werd door de overheid bepaald, maar wie bier tapte mocht geen scharbier tappen.

Verder moesten bierstekers, schippers en schuitevoerders die 'vreemde' bieren, van Weesp, Delft of elders invoerden, deze bij de accijnsmeesters aangeven. Geen bieren uit de stad mochten worden vervoerd, vóórdat bij de accijnsmeesters de naam van de eigenaar, en die van de schipper of schuitevoerder die het bier vervoerde, was opgegegeven.  Brouwers, bakkers, gorters en anderen die een molen in hun huizen gebruikten, waren gehouden elke zaterdagmiddag de accijnsmeester op te geven hoeveel graan of koren zij de afgelopen week hadden gemalen en de impost daarover te betalen. Niemand mocht in zijn huis molens hebben, klein of groot, waarmee men koren kon malen, zonder opgave van naam aan de accijnsmeester en betaling van impost voor hetgeen werd vermalen.
Ieder die turf binnen de stad bracht om te lossen moest zijn schip aangeven bij de collecteur van de accijns en aldaar een behoorlijke 'loot' of 'teijcken' ontvangen, waarop hij een gezworen vulster kon krijgen. De opzieners van de turfvulster mochten geen turfman een 'gezworen vulster' geven om de turf te lossen, voor hen het 'loot' van de accijns was overhandigd.

Wanneer de turfvulster de turf gelost had, moest zij zich met de turfman vervoegen aan het accijnskantoor om het aantal manden dat zij had gelost, op te geven, zodat daarover accijns betaald kon worden. Na betaling van de accijns kreeg de turfman van de collecteur een biljet als bewijs dat de accijns was betaald. Dit biljet moest bij het uitvaren van de stadsboom aan de gecommitteerde van de collecteur worden afgeven.

Boetes
Voor vele overtredingen werd een boete van 50 gulden bedongen, of zes weken 'te water en brood', voor de tweede maal een van 100 gulden of zes weken rasp- of spinhuis, voor de derde maal een van 200 gulden, of 'gesteld te worden op de kaak'. Bij sluiking van wijn in verkeerde fustage, manden, koffers, of in sleden, wagens, schepen of schuiten, werden deze zaken verbeurd verklaard en de sluikers beboet.

Neringdoenden, voor de tweede maal betrapt, konden suspensie van hun nering voor een jaar verwachten, voor de derde maal eeuwig verbod van de nering, of lijfelijke straf. De pachters mochten met de sluikers of overtreders niet accorderen zonder kennis van de hoofdofficier en de burgemeesters. De praktijk was echter vaak anders. Al in 1634 was bepaald dat brouwers en bierbeschooiers die betrapt werden op het sluiken, tappen en gelagen zetten, zouden worden uitgesloten van het brouwers- en bierbeschooiers-gilde en als tappers beschouwd. Wanneer tappers voor sluikpraktijken personeel in dienst namen, moesten zij een boete van 200 gulden betalen wanneer het in dienst genomen personeel insolvent was. Brouwers, bierbeschooiers, slepers en bierdragers mochten alleen op tappers-cedullen zware bieren bij komenijhouders, brandewijn- en tabaksverkopers brengen. Alleen personen met een speciale permissie mochten bier bij de haalkan, kleine bieren dus, verkopen. Zij moesten een bord uithangen waarop stond: 'Hier verkoopt men kleijn bier bij de kan, tot gerief van de borgeren.'

De geïnde boeten werden gelijk verdeeld onder de schout, de aanbrenger en de accijnsmeester. Er werd veel gesluikt. In een keur uit 1704 werd vastgesteld dat vele mensen, die geen verkopers noch voorkopers van turf waren, zich niet ontzagen dagelijks met sleden, wagens en schuiten turf uit de venen in de stad te brengen zonder 's lands impost en de stadsaccijns daarover te voldoen. Daarna volgde een waarschuwing en een bevel om alle wagens en schuiten met turf, die in strijd met de genoemde artikelen in de stad werden gebracht, aan te houden. Immers, alleen de verkopers zelf of de bekende turfkopers mochten turf uit het veen halen en naar de stad brengen, op straffe van een boete van 200 gulden en nog eens 200 volgens het Generaal Plakkaat. De manden moesten door de gezworen tonsters worden gemeten.

Verklikkers
Aanbrengers van biersluiking kregen tweederde van de boeten, van wijnsluiking en gemaalsluiking een derde. Vele aanbrengers kregen bovendien van stadswege een premie van 150 gulden en straffeloosheid voor het geval zij bij het aangegeven sluiken mede schuldig waren. Deze bezochten plaatsen waar kroeg werd gezet, vroegen om een pintje wijn of bier en lieten daarna een acte bij een notaris opmaken met opgave van de gedronken of gekochte wijn. Waarschijnlijk hebben de impostmeesters de verklikkers opgegeven waar deze naar toe moesten. Deze gingen meestal getweeën, twee mannen of twee vrouwen, maar ook gingen een man en een vrouw samen, of een echtpaar.  Uit de acten komt men niet te weten uit welke sociale lagen de verklikkers kwamen. In slechts enkele gevallen stond leeftijd of adres vermeld, in één enkel geval vonden we een beroep, namelijk leertouwer. Heeft de hoge premie voor het verklikken een aantal behoeftigen er toe gebracht dit te doen, de algemene haat van hun medeburgers, indien ze ontdekt werden, trotserend? Het is merkwaardig dat verklikkers vaak gevallen van vermoedelijke ontduiking pas maanden of soms een half jaar later bij de notaris opgaven. Is dit achterhouden te verklaren uit angst voor ontdekking als verklikker? Het kwam weinig voor dat een verklikker twee maal hetzelfde adres bezocht. Men kan slechts gissen of het dan om een poging tot chantage ging. Bij de gelagzetters of wijnkopers die waren verklikt (totaal vonden we er 330), was er een groot aantal dat méér dan eenmaal verklikt was, namelijk 46, en driemaal of meer verklikt 20. Welk percentage van de tappers sluikte is moeilijk na te gaan, omdat dezelfde persoon in het ene geval als tapper en in het andere geval als wijnkoper werd aangeduid. Namen werden vaak verkeerd geschreven, deze zijn dan alleen met nauwkeurige adresvergelijking te achterhalen.

Het 'sluiken'
Hoe ging het sluiken in zijn werk? Bij de wijnimpost was dat mogelijk omdat de accijns niet bij inslag, maar bij levering aan tappers en burgers werd betaald. Een wijnkoper betaalde dus pas accijns wanneer hij aan de tapper leverde. Ging hij in zijn wijnkelder gelag houden, of gaf hij de sleutel van zijn kelder aan een tapper, en liet deze voor zijn rekening slijten, betaalde hij geen accijns, terwijl hij toch zijn wijn verkocht. Weliswaar zou de pachter zich kunnen afvragen waar de wijn van een wijnkoper, hem opgegeven door de zeehandelaar bleef, maar hij kon niets eisen. De mogelijkheid tot controle was en bleef gering. Vandaar dat men steeds heeft geprobeerd de groepen van zeehandelaars, wijnkopers en tappers strikt gescheiden te houden. In de praktijk is dat nooit gelukt, al werden zowel zeehandelaars als tappers niet toegelaten tot het wijnverkopersgilde. Ook de eed-aflegging, waarbij wijnkopers moesten zweren dat zij geen tapperij zouden uitoefenen en de tappers dito voor de wijnkoperij, werd een fiasco, zowel door het verzet van de wijnkopers zelf, als door de oppositie hiertegen in de Amsterdamse vroedschap.
In april 1703 kwamen de impostmeester, een gezworen wijnroeier, de deurwaarder van de gemene landsmiddelen, de stadsroedragende bode, in gezelschap van de hoofdofficier en de notaris Jan Deutz, benevens de substituut-schout ten huize van Jeremias Favrio, waarschijnlijk een tapper, in de Looiersstraat. Zij gingen een trap op en kwamen in een achterkamer, waar zich tien mannen bevonden, aan een lange tafel met glazen flessen, waarin wijn bleek te zitten. Op het verzoek aan Favrio dat hij die wijn eens moest laten peilen, antwoordde deze dat de te peilen wijn zich in een klein voorkeldertje bevond, waarin de attestanten kwamen door uit een voordeur drie treden omlaag te gaan. Daar was een deur met een sleutelgat. Op de vraag naar de sleutel, antwoordde de vrouw van Favrio dat die er niet was, maar dat de daarachter gelegen kelder aan een wijnverkoper behoorde. Toen uiteindelijk de sleutel was gevonden, bleek zich achter de deur een wijnkelder te bevinden, die uitkwam onder het huis van Favrio, maar met een binnendeur was afgesloten. Van de straat uit kon dus niemand binnen komen. De impostmeester liet de kelder verzegelen en schreef een bekeuring uit. Dit was een duidelijk geval van clandestien kroeg zetten. Misschien was men er door verklikkerswerk achter gekomen, Favrio was al eens eerder verklikt. Het gebod voor wijnkopers en tappers op een afstand van minstens twee huizen naast elkaar te wonen was dus te begrijpen.

Ook per schuit werd gesluikt. Een schuitevoerder verklaarde dat hij met zijn steigerschuit bij de wijnkelder van een wijnverkoper was geweest en hij daar van twee bierdragers een halve aam en een anker wijn had gekregen om op de Blommarkt (toen nog op de N.Z.Voorburgwal) te bezorgen. De dienaren van de substituut-schout hadden de schuitenvoerder vanaf de Binnen Amstel gevolgd. Hij werd gearresteerd. Aan ontduiking van de wijnimpost namen brouwers, bierbestekers (tappers) en bierbeschooiers deel. De knechten van een brouwer verklaarden in 1704 aan de impostmeester dat er in de muur van de mouterij achter de brouwerij een gat was, uitkomend op een 'zeker loodsje of koockentje', achter een huis in de Batavierenstraat. Het gat was gewoonlijk met planken dicht gemaakt. Zo werd onbelast bier naar buiten gesmokkeld.

Soms werden biervaten met vaten stinkend water verwisseld, natuurlijk om impost te ontduiken. In de bierbeschooiers- kelder van Rebecca Pruijmer, bierbeschooister op de Herenmarkt, waren verschillende hoeveelheden Rotterdammer bier te koop. Een kraambewaakster verklaarde dat zij op verzoek van haar kraamvrouw bij Rebecca bier had gekocht en daarna was gearresteerd. Een achttienjarige dienstbode had eveneens bij Rebecca bier gehaald. Toen zij buiten kwam, werd zij door enige mannen vastgehouden, waarop de dienders van de substituut- schout toeschoten. Zij werd naar het Nieuwe Zijds Herenlogement gebracht en vandaar 's nachts naar 'Het Witte Wambuis', waar ze enige weken bleef zitten en vandaar overgebracht in de boeien. Wanneer Rebecca's klanten vertrokkken, liet zij eerst haar dochter uitzien 'of ook iemand op haar huijs paste'. Wanneer de weg vrij bleek, zei ze dat ze vrij uit konden gaan en voegde er bij: 'Gaat de Haarlemmerdijk langs en als U iemand vervolgt of aan wil doen, zoo vlugt dan met de kan met bier maar in een burgerhuijs'. De bevolking nam het dus vaak voor sluikers op.

Op verschillende wijze werden de ordonnanties op het gemaal ontdoken. Bakkers lieten heimelijk hun koren bij een molenaar malen, zonder opgave bij de impostmeester. Indien nodig stonden hun vrouwen op de uitkijk. Het kwam ook voor dat molenaars of molenaarsknechts van de bakkers geld meekregen om de cedullen te verzorgen, maar dat niet deden, het gemalen meel ter sluik bezorgden en het geld voor de cedullen verdeelden. Molenaars hadden een truc om de impostbedienden, wanneer ze het collectehuisje passeerden, om de tuin te leiden. De bakker gaf een molenaar zes zakken tarwe mee, maar wanneer deze gemalen waren, werd één zak meel over de andere zakken verdeeld, zodat de molenaar bij het pachterhuisje minder zakken kon opgeven. De ene gesluikte zak was dan winst. Na de controle werd het aantal weer zes. De dienders hadden dit spoedig door, wanneer ze merkten dat de zakken te zwaar waren. Ook maalden bakkers, brouwers en particulieren in het geheim koren op kleine 'quernmolens', (waarschijnlijk handmolens), wat ook niet mocht. Tarwe, zoals uit Buiksloot, werd gemalen en er werden rogge- en tarwebroden binnen de stad gesmokkeld en daar verkocht. In een Zwols schip werden in de kooi van de schipper roggebroden, met beddegoed bedekt, gevonden. Bij dergelijke sluiking waren veel molenaars betrokken. Zij lagen herhaaldelijk met de impostbedienden en de justitie overhoop. In één geval zei een meester-broodbakker, na vernomen te hebben dat geld was gegeven om de impost te betalen, 'dat geld zal in de hel niet komen'. De schippersknecht Mente Willemsz, gearresteerd voor het sluiken van broden, turf en boter, had zelf verklaard 'Ik schijt en lag eens met de justitie'. De gesmokkelde broden bleken van kwaliteit vaak minder te zijn dan was vereist. Al een eeuw eerder had de vroedschap aangegeven dat door het ontduiken van de stadsaccijns 'de luijden vreemde Broot kopende niet en krijgen sulcken goeden Broot als sij behooren ende meenen te hebben'.

Bij het sluiken van turf konden verklikkers vaak constateren (soms hadden ze twee dagen op wacht gestaan), dat de tonnen door de vulster die de meting deed, te hoog waren opgestapeld en 'verscheijden turven uijt de tonnen genomen en in turfdragersmanden werden gelegd, eer dat de ton getost of gemeten wierd, en dat dan wederom de ton met andere turven uijt 't schip werd opgevuld'. Er waren turfvulsters die hun eed (voor zover ze die aflegden) niet na kwamen en bereid waren met het sluiken mee te doen. Er is een verklaring van een turfschipper, die in april 1705 zijn turfschip loste, geholpen door Lijsbet Bruijne, vulster en haar confrater, die hij elk zes schellingen en vijf en een halve stuiver als loon gaf. Ze eisten echter ieder zes 't halve stuiver méér en zeiden dat, als ze dit kregen, ze op het kantoor van de impostmeester vijf ton minder zouden opgeven dan in werkelijkheid gelost was.

Verzet en repressie: ‘gooit de honden dood'
De bevolking verzette zich vaak tegen de dienders van impostmeester en schout, vooral omdat deze soms ruw optraden. Maar geweld en bedreiging kwam evenzo vaak van hen die betrapt waren.

Pachtersoproer 1748

In april 1702 verklaarden twee dienaren van de impostmeester van de wijnen en drie bedienden van de substituut schout, dat zij rondgingen om sluikers te betrappen. Bij de Markerbrug bij de Houttuinen, schold de schuitenvoerder Jan Abrahams hen uit voor schelmen en dieven, uitdagend roepend: 'Clijn Claasje heeft mij eens gevangen, laat hij mij nu voor de tweede maal, zo hij courage heeft, nog eens vangen'. 'Clijn Claasje', Claas ter Leuven, bleek gehaat te zijn. De 'vulliswerker Otto Buijs verklaarde in 1704 dat hij om een kleine overtreding, door 'Clijn Claasje', die substituut-schout was, tot bloedens toe was geslagen. Maar toen drie schoutsdienaars, waaronder Claasje, Buijs wilden arresteren werden zij door een menigte met puthaken en stokken aangevallen. Abrahams viel de dienders met een mes aan. Volgens verklaring der attestanten gedroeg Abrahams zich 'als een dol en uijtsinnigh mens'. Hij beet 'Claasje' zo hevig 'int dick van sijn been', dat deze slechts met moeite kon worden bevrijd.

Toen Jan Joosten in 1702 met een sluikmandje met wijn werd gearresteerd, riep hij: 'Burgers, stae bij, help mij togh ontsetten', waarop de mensen toeschoten. Joosten gaf, geholpen door omstanders, de schoutsdienaars rake klappen en werd met moeite weggesleept.

In 1703 werd Philip Bodendijk, wonend op de Anjeliersgracht (nu Westerstaat) in de tapperij waar De Bremerton uithangt, varend met een schuit, op verdenking van impostontduiking gearresteerd. Bij arrestatie ontstond een vechtpartij met mensen die hem wilden ontzetten. Ze werden aangevuurd door de vrouw van een oudijzer-kramer die riep: 'Ontset de man en gooit de honden dood'. Zij sloeg met een dweilstok. Toen een dienaar met de in beslag genomen boot aankwam, werd hij deerlijk mishandeld, evenals anderen, die hem wilden ontzetten. Bodendijk werd meegevoerd naar een herberg, waar enige mannen hem later vrij kregen. De menigte bleef nog lang voor de herberg staan en bedreigde ook de substituut-schout. Toen een schoutsdienaar op de Prinsengracht bij de herberg De Goede Wijnstok aan kwam varen met een roeiboot, vroeg deze een varensgezel de boot even vast te houden. Daarna stortte een menigte mensen 'verklikker' en 'verrader' roepend zich op de varensgezel. Hij werd mishandeld en ten slotte in het water geschopt.

Drie dienaren van de substituut-schout en twee bedienden van de impostmeester verklaarden in 1705 dat zij Pieter, alias Dolle Piet, die zij 'seer wel kennen, al sijnde dagelijck werk maakende van te sluijken, soo met schuijt, kruijwagen als dragende' op zijn kruiwagen een anker wijn, in een zak gebonden, zagen kruien. Pieter was als eens een paar jaar geleden 'in de boeien' geweest.  Dolle Piet werd gearresteert, maar sleepte de impostbedienden al worstelend en schreeuwend tot binnen de deur van zeker huis. De bedienden wisten los te komen, waarop de schoutsdienaren Pieter buiten arresteerden. Een menigte mensen ontzette hem echter, waarop hij weer de vlucht nam.

In 1707 kwamen dienaren van de substituut-schout en de impostmeester met bode en een wijnroeier op de Haarlemmerdijk ten huize van Joannes Schonck, waar 'De Loeros' uithangt. Aldaar werd bij onderzoek een hoeveelheid wijn gevonden. Nadat dit met Schonck was 'afgemaakt' gingen zij weer naar buiten, maar werden achtervolgd onder het geroep: 'Daar is een verklikker bij, gooi en sla dood die hond'. Bij de Goudsbloemgracht begon een grote menigte met stenen te gooien, terwijl op de Brouwersgracht een vrouw de stadsbode als verklikker aanwees en hem een klap op het hoofd gaf. Het stenen gooien werd toen zo hevig, dat de bedreigden zich niet meer tegen de menigte konden verweren en de herberg De Croon op de Brouwersgracht binnen moesten vluchten. Daar gooide de menigte de ruiten in en dreigde het huis 'onder de voet te zullen halen' of de verklikker moest er uit komen. Nadat de dienders met de impostmeester (!) snel vanuit het achterhuis over de schutting waren gevlucht, kwam de herbergier zeggen dat ze al weg waren. De menigte, het huis binnengedrongen, vond niemand meer. De haat van de bevolking tegen de impostmeesters, hun dienaars en verklikkers, bleek groot te zijn.

Ook bij de bierimpost stuitten de impostbedienden  en schoutsdienaars op verzet van sluikers en bevolking, mogelijk in iets mindere mate. Bedienden van de impostmeester merkten dat voor het huis van een bierbeschooier te Nieuwendam vaten bier met bestemming Amsterdam in een boeier werden ingeladen. Bij achtervolging gooiden de sluikers twee vierendelen in het water, stelden zich in postuur, trokken hun messen en namen de bootshaak. Ook de dienders trokken hun messen om de ankersleutel van de boeier stuk te snijden en bemachtigden deze bijna. Voor de sluikers kwam echter hulp opdagen uit de Nieuwe Jachthaven. Twee mannen kwamen met een jacht, waarmee ze trachtten de jol van de bedienden te overzeilen, terwijl ze schreeuwden dat deze de boeier moesten laten gaan. De bedienden riepen: 'Ik waarschouw Ulieden, ik ken U beiden wel', maar de jachthavenlieden zeiden dat ze 'de donder' daaraan hadden, 'al benjer meester van, gij sult se en wel niet opbrengen' en staken met hun haak naar de dienders, waarop deze de boeier moesten verlaten. Het bier visten ze op.

Vooral de impost op het gemaal gaf aanleiding tot tal van wanordelijkheden en verzet bij sluikers en omstanders die hen steunden. Bedienden van de impostmeester zagen in de Buiten-Amstel een bootje met zakken meel, met aan boord twee mannen, waaronder de bakker Christoffel van den Broek. Een der bedienden sprong aan boord, maar werd door de bakker ernstig mishandeld. De overige bedienden wisten het bootje naar de kant te trekken en Christoffel en zijn maat werden gearresteerd. Vóór hun arrestatie hadden de sluikers de zakken meel in het water gegooid om de bewijzen te vernietigen.

In april 1707 verklaarden dienaren van de substituut schout op verzoek van de hoofdofficier dat ze een bootje met zakken meel hadden aangehouden en de inhoud ervan overgebracht in een andere schuit. Bij de boom werden ze opgehouden door de knecht van de sluis, die de bomen pas wilde openen toen de dienders zes stuivers hadden betaald. Toen ze met de schuit in het Singel kwamen, werden ze door een grote menigte in het nauw gebracht en gedwongen naar de kant te gaan (niettegenstaande een der dienders zei dat hij maar een schuitenvoerder was, die zijn geld daaraan verdiende). De menigte riep: 'Sla doodt de honden, bruijdse in 't water, 't zijn verklickers, beesten'. De dienders werden flink mishandeld, terwijl een van hen in het water werd gesmeten. De attestatie vermeldt verder over de menigte dat 'sij de zakken met meel onder malkanderen hebben verdeelt'.
Aan de kantlijn stond, misschien een latere toevoeging, 'geplunderd'. Het blijkt dat schoutsdienaren ook voor verklikkers werden uitgescholden.

Een broodbakster in de Foeliedwarsstraat werd in 1709 bekeurd voor gesluikte turfmolm. Ze moest een boete van drie en twintig gulden betalen. Diezelfde dag, om half twaalf 's ochtends, kwam zij (maar niet alleen) de boete brengen bij de deurwaarder David Goetvall, ten huize van Lijsbeth Jacobs, wonend op de IJgracht. Nadat ze had betaald, had de weduwe een schuitenvoerder, daar aanwezig, bij zijn keel gepakt, zijn hemd gescheurd, omdat hij de verklikker zou zijn door wiens toedoen haar het ongemak met de turfmolm was overkomen. Eén der personen, met haar mee gekomen, ranselde de schuitenvoerder af. Toen de deurwaarder later in de Plantage kwam, moest hij de boete, onder de bedreiging van de knechts der weduwe, die dreigden hen anders 'voor de voet te zullen gooien', weer terug geven.

Bij een arrestatie door drie dienaren van de substituut schout werd een boterverkoopster, meegekomen met het Meppeler schip, aan de Texelse kade (nu Prins Hendrikkade) gearresteerd. Haar dochtertje wist te omtkomen. De verdachte liet zich op de grond vallen, zodat ze door de dienders moest worden gesleept, daarbij luidkeels roepend ontzet te worden. Hulp van de toegelopen burgers bleef niet uit. Een van hen sloeg een diender met een grote knuppel op het hoofd, zodat het bloed langs zijn gezicht stroomde. Tenslotte werd ze opgesloten in de herberg 'De Drie Moranen' aan de Nieuwendijk. In de confessieboeken werd haar bekentenis gevonden.

Boetes, straffen en vonnissen

De verhoren van de wegens sluiken gearresteerden vonden soms op de dag van overtreding plaats, soms enige dagen later. In vele gevallen werden door de impostmeester boetes opgelegd en werd na een regeling de detentie opgeheven. Het gesluikte (de wijn, het bier, meel, boter en turf), de wagens of schuiten waarmee het vervoer plaats had gevonden) werden verbeurd verklaard. Gedetineerden werden soms voor acht dagen op water en brood gezet, in ernstiger gevallen verbannen uit de stad voor één, zes, tien of een enkele maal zelfs 25 jaar.

De boeten varieerden van 100 tot 600 gulden bij sluiking van wijn en bier. Na 1706 kwam er nog 200 gulden bij volgens het Generaal Plakkaat. Soms werd alleen de wijn verbeurd of werd een veroordeelde 'cum capitulo', na vergelijk, ontslagen. Of de boeten werkelijk betaald werden, blijft de vraag. Bij sommige vonnissen stond dan ook 'bij faulte van betaling een jaar (of meer jaren) uit de stad verbannen'. Toch kwamen velen vóór hun straftijd om was, terug. In enkele gevallen werd de zaak 'composibel' (te schikken) verklaard. Er werd dan met de impostmeester op een lager bedrag geaccordeerd, omdat men wist dat er anders toch niet betaald zou worden. Ook scheen het mogelijk te zijn gedetineerden los te kopen wanneer men alvast een deel der boete betaalde. Ook werd wel eens een onderpand gegeven of stelden anderen zich borg voor de veroordeelde.
De boeten bij de gemaalsluiking waren bijzonder hoog, meestal 2000 gulden, in enkele gevallen 25 tot 200. De overtredingen, waarvoor deze laatstgenoemde boeten werden opgelegd, waren soms niet geringer. De vraag komt op, waardoor de hoogte van de boeten eigenlijk werd bepaald, een vraag waarop geen antwoord was te vinden.

Van een aantal van 237 personen, gearresteerd voor sluiking van de behandelde imposten, daarbij inbegrepen de gearresteerden wegens brandewijn, zout- en zeep sluiken, gevonden in de notariële archieven, de justitie- en confessieboeken, waren er onder andere: elf schoenlappers, elf bakkers, tien kruiers (kruisters), negen bakkersknechten, negen varenslieden, zeven schuitenvoerders, zes slepers, zes dienstmeiden, zes molenaarsknechten, vijf schoonmaaksters, vier wijnkopers, vier tappers (tapsters), drie molenaars, drie naaisters, drie bierstekersknechten, drie bierslepers, drie sjouwers, drie droogscheerders, twee beenhouwersknechten, twee schuitenvoerders, twee schippersknechten, twee modderlieden, één beurtschipper, één turfvulster, één turftrekster en één boterkoopster.

Conclusie
d'Heer bewaart U ingang
als t'maar aan 't geld niet
en faalt,
en ook uwen uijtgangh
als je 't geld hebt betaalt

Deze regels, uit leutigheid, balorigheid, of doodgewoon uit verveling in parodie op een bijbeltekst, door een een notarisklerk neergeschreven, treffen het wezen van de impost. Diegenen, voor wie 't geld en faalde', de armen en eenvoudigen, werden nergens voor bewaard. De accijnzen maakten vooral het levensonderhoud van de gewone man duur. Men verhoogde liever de belastingen op het dagelijks verbruik dan de handel te belasten.
 
De impost drukte ook zwaar op de middengroepen, vooral op tappers en andere kleine neringdoenden. In 1742 had volgens de personele quotisatie, waarbij een aanslag op vermogen werd geheven, 57% van de taxabele winkeliers een inkomen van 600 tot 1000 gulden. Deze gegevens zijn mogelijk weinig anders dan die uit 1700- 1710. Van deze groep maakten de 681 tappers het grootste deel uit, 77% van hen behoorde tot de laagste classes met inkomens tot 1000 gulden. De financiële nood van de winkeliers, de afhankelijkheid van de groothandelaren, het gebrekkige zicht op de markt en plotselinge veranderingen, brachten hen soms tot ongewenste praktijken: geknoei met maten en gewichten en sluiken van impost. Vooral voor de tappers waren de huren hoog. In 1742 betaalde van de 346 tappers met een inkomen tot 600 gulden 52% een derde of de helft van dat inkomen aan huur. Daarom hadden ze er vaak een baantje bij, bijvoorbeeld als sjouwer.

Groothandelaren en kooplieden konden zich gemakkelijk aan hun belastingplicht onttrekken; de invoerrechten waren niet hoog vanwege de handelsbelangen van Amsterdam, de convooi- en licentgelden waren te ontduiken door smokkelhandel. Bovendien pleitte de Amsterdams vroedschap de groothandelaren in wijnen van impost vrij te stellen, uit vrees dat de wijnhandel Amsterdam zou mijden. Een andere vraag is of de geweldige chaos, te vinden in het gehele financiële en belastingstelsel van de Republiek en het gebrek aan duidelijkheid en overzichtelijkheid behalve ons, ook de achttiende eeuwse burgerij parten heeft gespeeld. Zij kreeg haar belastingen op tal van artikelen vaak op geheel verschillende wijze opgelegd. Men wist soms niet waar men aan toe was en de minst beschermden waren vaak aan de willekeur van de impostmeesters overgeleverd. Noordam meent op grond van zijn onderzoek dat de rijken weliswaar zelden voor de rechtbank kwamen, maar de overgeleverde gegevens te weinig hard zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat er een soort klasse-justitie ten aanzien van hen bestond.

Toch werden de minder gegoeden eerder door de noodzaak gedreven zich op het sluikerspad te begeven dan meer gegoeden, die er ook, dat is waar, weinig been in zagen zich van de impost-verordeningen veel aan te trekken. Dit is een van de belangrijkste conclusies die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen. Duidelijk is wel dat het Amsterdamse volk zich verzet heeft tegen de zware druk van de imposten en dan met name in de jaren tussen 1700 en 1710. En dat was ná het Aansprekersoproer van 1696, met zijn diepe sociale achtergrond. Het steeds toenemend verzet tegen de wijze van impostheffing heeft geleid tot het Pachtersoproer van 1747.

Bronnen
Beeldsnijder, R., 'Ik schijt en lag eens met de justitie'. De imposten op wijn, bier, het gemaal, boter en turf in Amsterdam en het verzet daartegen, (1700-1710), Den Haag 1999 (uitgave in eigen beheer in beperkte oplage).