Henny Buiting

Herenboer, anarchist en sociaal-democraat


De drie hier besproken werken hebben alle betrekking op aspecten van de (linkse) arbeidersbeweging van Nederland. Treffen we in de persoon van Mansholt de unieke figuur van een sociaal bewogen herenboer ten tijde van de opkomst van socialisme en progressief liberalisme in Groningen, de aan Constandse gewijde bundel verschaft een mooie inkijk in het gedachtegoed van deze anarchist, publicist en vrijdenker. De studie over Troelstra's 'vergissing' van november 1918 tenslotte poogt een beeld te geven van de sociaal-democratie ten tijde van een ogenschijnlijk revolutionaire situatie.   

Een fraaie studie over Derk Roelfs Mansholt
Derk Roelfs Mansholt (1842-1921), grootvader van landbouwminister en Europees landbouwcommissaris Sicco Mansholt, geldt niet bepaald als een der grootheden van de linkse arbeidersbeweging van Nederland. Toch is deze opmerkelijke persoon het meer dan waard geportretteerd te worden, in het bijzonder omdat zijn leven getuigenis aflegt van de grote sociale, politieke en agrarische ontwikkelingen die zich in Groningen ten tijde van de opkomst van de socialistische arbeidersbeweging voordoen.

De oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige Mansholt verhuist in 1866 met zijn ouders naar Groningen, waar hij zich naderhand als herenboer vestigt. Hij gaat zich intensief bemoeien met de agrarische verhoudingen in Groningen en wordt onder meer voorzitter van de Groninger Maatschappij van Landbouw en mede-oprichter van het Nederlandsch Landbouw-comité. Mansholts sociale bewogenheid en politieke betrokkenheid komen tot uiting in een oprechte bekommernis om de positie van landarbeiders, het bestuurslidmaatschap van het in 1887 opgerichte Provinciaal Comité voor Algemeen Stemrecht en zijn involvering in de activiteiten van de Groninger Volkspartij, het opmerkelijke samenwerkingsverband van radicalen en sociaal-democraten. Na een ingezonden stuk in de NRC van 7 januari 1874 over de Atjeh-oorlog, ontwikkelt Mansholt een vriendschapsband met Multatuli, die hem gevoelig maakt voor de sociale kwestie en een ontwikkeling in de richting van het socialisme initieert. In 1879 maakt Mansholt kennis met Domela Nieuwenhuis, voor wie hij propagandatochten in het noorden gaat regelen én hij komt in aanraking met het werk van Karl Marx waarvoor hij, zij het tijdelijk, een grote bewondering opvat.

Geleidelijk komt Mansholt in de ban van de beweging voor Landnationalisatie, die in de opheffing van het particulier grondbezit de eigenlijke oplossing ziet van de sociale kwestie. Zijn voorzitterschap van de Nederlandsche Bond voor Landnationalisatie leidt in 1891 tot een breuk met Domela Nieuwenhuis, waarna Mansholt zich verwijdert van de sociale en democratische beweging van Groningen. Met de voortwoekerende agrarische crisis als voornaamste achtergrond, betoont hij zich tenslotte voorstander van een protectionistische overheidspolitiek die hij verbindt met een 'agrarisch fundamentalisme', dat de sociale kwestie reduceert tot het streven naar een meer rechtvaardige positie voor de landbouwbevolking.   

Hilde Krips-van der Laan heeft in haar mooi uitgegeven dissertatie gekozen voor een chronologisch-thematische weergave van Mansholsts ideeën en werken, een benadering die een uitstekend gedocumenteerde zoektocht omvat naar de evolutie van diens politiek-sociale denkbeelden. Het resultaat is een juweel van een wetenschappelijke studie die, naast vele biografische gegevens, niet alleen het boeiende gedachtegoed van de hoofdpersoon omvat, maar die tevens op erudiete wijze getuigenis aflegt van een belangrijk stuk sociale en politieke geschiedenis van Groningen. Het knappe van de studie steekt vooral in weergave en analyse van de 'dialectische relatie', wellicht kan men beter van spanningsveld spreken, tussen Mansholsts positie als herenboer en werkgever enerzijds en zijn door Multatuli, Domela Nieuwenhuis, Marx én door vigerende maatschappelijke verhoudingen benvloede streven naar een oplossing voor de sociale kwestie. Lijkt Mansholst aanvankelijk door de kluisters te breken van zijn 'objectieve' maatschappelijke positie, tenslotte wordt hij er toch door achterhaald, al blijft zijn positie te gecompliceerd en ambivalent om hem tout court als conservatief te kunnen bestempelen. De wijze waarop de auteur de hier aangegeven persoonlijke thematiek verbindt met de 'ruimere' socio-economische en politiek-culturele verhoudingen, maakt deze studie tot een der mooiste sociaal-historische werken van de afgelopen jaren.

Een boek over anarchist, vrijdenker en publicist
De bundel over Anton Levien Constandse (1899-1985), ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag uitgegeven, doet verslag van de boeiende opvattingen van deze anarchist, vrijdenker en publicist. Diens lange leven van politieke strijd, verweven met journalistieke zowel als (populair)-wetenschappelijke beschouwingen, staat borg voor een reusachtige hoeveelheid publicaties. Zeer terecht hebben de samenstellers van de bundel daarom besloten een beredeneerde, thematische bibliografie op te nemen van Constandses oeuvre, inclusief een overzicht van publicaties óver betrokkene.

Hoewel deze bibliografie van grote wetenschappelijke en informatieve waarde is, maken de eraan voorafgaande beschouwingen over zijn leven en werk het eigenlijke hart van de bundel uit. Overeenkomstig de bibliografie is ook dit eerste 'beschouwelijke' en biografische deel thematisch opgebouwd, terwijl tevens een terugblik van de hand van Constandse zélf is opgenomen op de oorlogsjaren, wanneer hij als gijzelaar jarenlang door de bezetter wordt gevangengehouden. Dit stuk, 'De vijf jaren der bezoeking' getiteld, omvat een aangrijpend verslag van, zoals Constandse het formuleert, de 'ontketende bloeddorst, de demonische willekeur, het geraffineerde sadisme, de orgie van haat en geweld' door nationaal-socialistische organisaties (92).
 
Hoewel de door een veelheid van auteurs geschreven bijdragen elkaar enigszins overlappen is dit slechts zelden hinderlijk, terwijl ook het op de loer liggende hagiografische karakter alleszins meevalt. Zo zijn de bijdragen van André van Well en Peter Zegers over Constandses betrokkenheid op de vrijdenkersbeweging en diens felle kritiek op de godsdienst eerder beschrijvend dan bejubelend, waarbij de vele citaten inzicht verschaffen in zijn militante opvattingen. Hilarisch is het verslag van Constandses debatvergaderingen met dominee A.H. de Hartog, die ter bestrijding van de vrijdenkersvereniging 'De Dageraad' een eigen organisatie, 'De Middaghoogte' (!), opricht. De bijeenkomsten verwekken emoties, welke reminiscenties oproepen aan een voetbalwedstrijd, inclusief elkaar naar het levende staande supporters. Het relatief lange artikel van Rudolf de Jong over het anarchisme van Constandse en diens afscheid, einde jaren dertig, van het anarchisme als realistisch politiek perspectief, is minder afstandelijk, al prevaleert ook hier de beschrijvende, objectiverende benadering. Merkwaardig is overigens de tegenspraak tussen De Jongs mededeling, dat Constandse nooit gecharmeerd is geweest 'van Hegels leerling Marx', en Van Well die wijst op Constandses referentie aan Marx' opvatting dat 'de godsdienst de wereldse slavernij in stand houdt', terwijl Zegers opmerkt dat Constandse 'ook voor het werk van Sigmund Freud, Karl Marx en Jean-Marie Guyau [...] grote waardering [heeft]' (22, 34, 69). Aangezien Rudolf de Jong van enige bewijsvoering afziet en zijn 'opponenten' met keurige notenverwijzingen werken, lijkt het niet lastig tot De Jongs ongelijk te concluderen.

Gerhard Brinkhorst analyseert Constandses dissertatie uit 1951 over de zeventiende-eeuwse Spaanse katholieke toneelschrijver Pedro Calderón de la Barca, en neemt de psychoanalytische dogmatiek van de studie onder vuur. Ook de beoordeling door Jan de Kievid van Constandses overspannen naoorlogse revolutieverwachting ten aanzien van Latijns-Amerika is buitengewoon kritisch, zo niet ontluisterend. Marli Huijer doet helder verslag van de normatieve opvatting van Constandse over seksualiteit als de gelijkwaardige en (liefst) duurzame kameraadschap tussen (on)gelijkslachtige partners.

De journalistieke werkzaamheden van Constandse worden in verschillende artikelen onder de loep genomen, met als meest boeiende episode diens werkzaamheid als (chef)-redacteur van het liberale Algemeen Handelsblad in de periode 1946 tot 1962. De mooiste bijdrage tenslotte is van de hand van Kees Slager over Constandses 'acteren' voor de VPRO-radio, dat in 1969 begint en een tiental jaren beslaat. Het artikel wordt opgesierd door kostelijke, deels hilarische, citaten uit Constandse radiopraatjes en getuigt van het opstandige denken van de inmiddels vergrijsde non-conformist.  

Een mislukt boek over Troelstra als 'revolutionair'
In het voetspoor van wat een Duitse revolutie lijkt te zijn en onder de indruk van een ogenschijnlijk revolutionaire stemming onder Rotterdamse arbeiders, proclameert Pieter Jelles Troelstra op maandagavond 11 november 1918 in het Verkooplokaal te Rotterdam dat de Nederlandse arbeidersklasse de politieke macht zal grijpen. Eén dag later herhaalt de aanvoerder der SDAP in de Tweede Kamer, dat het Nederlandse proletariaat de staatsmacht op geweldloze wijze in handen zal nemen en hij doet een (impliciet) beroep op de regering vrijwillig af te treden. In de dagen die volgen blijkt evenwel, dat Troelstra zich dramatisch heeft misrekend. Van een revolutionaire situatie is geen sprake geweest en de 'Nederlandse proletarische revolutie' is gedoofd aleer ze heeft kunnen uitbreken.

Over deze boeiende episode zijn al vele wetenschappelijke studies verschenen, waarvan het standaardwerk uit 1968 van H.J. Scheffer, November 1918. Journaal van een revolutie die niet doorging, en het indrukwekkende zesde hoofdstuk uit Bas van Dongens monumentale Revolutie of Integratie uit 1992 speciale vermelding verdienen. De redactie van de door uitgeverij Verloren uitgegeven serie monografieën over de Nederlandse geschiedenis, heeft echter gemeend het hier besproken achtste deel te moeten toevertrouwen aan Johan S. Wijne, iets wat men bezwaarlijk als een wijs besluit kan betitelen.

Van beslissend belang bij elke verhandeling over 'november 1918' is vanzelfsprekend, hoe het optreden van Troelstra moet worden geïnterpreteerd. Was inderdaad sprake van een revolutiepoging of heeft Troelstra regering en bourgeoisie slechts willen intimideren om een échte revolutie van zijn rivalen ter linkerzijde overbodig te maken, met als positief 'bijverschijnsel' het in de wacht slepen van hervormingen ten gunste van de arbeidersklasse. Ook Wijne beseft dat een simpele verhandeling over gebeurtenissen niet volstaat, maar zijn pogen een interpretatief Leitmotiv te ontwikkelen is halfslachtig en is bovendien verweven met hoogst merkwaardige 'vaststellingen'. Dit laatste geldt de tegen elk historisch besef indruisende opmerking dat 'in het verslagen Duitsland een echte revolutie uitbrak' (7). Elders rept Wijne van 'de communisten onder Karl Liebknecht', terwijl de KPD nog moet worden opgericht (14) en hij laat Schaper de 22e november interveniëren in een debat over Troelstra's optreden dat, o wonder, al op 15 november plaatsvond (46). Er zijn meer bloemen uit Wijnes weinig welriekende ruiker te plukken maar belangrijker is, zoals gezegd, diens pogen Troelstra's optreden kwalitatief te duiden.

Zo verwijst Wijne naar een nota van de reactionaire groep-Gerretson-Oosterhoff, waarin de vraag wordt opgeworpen waarom Troelstra zijn plannen zo openlijk bekend maakte. Was dit, zo heet het, omdat Troelstra zo sterk stond óf 'wilde hij de regering dwingen tot het voeren van een krachtiger beleid jegens de SDP, de radicalen die zich van de SDAP hadden afgesplitst en later de Communistische Partij Holland zouden vormen' (27). De katholiek J.B. Bomans merkt in de Kamer op, dat de SDAP 'niet handelt naar eigen beginselen, onder eigen aandrift, maar van stonde af aan door de zweep van Wijnkoop wordt aangezet' (43). De SDAP'er A.B. de Zeeuw tenslotte roept de 9e november te Rotterdam uit, dat de 'massa [...] op een sein [wacht]' en dat snel optreden geboden is, omdat bij aarzeling 'het [zou] kunnen dat ons de leiding ontglipte' (16 en 18). Zo zijn meer plaatsen aan te wijzen waar begrip gloort omtrent de eigenlijke betekenis van Troelstra's 'revolutie', maar het blijken uiteindelijk slechts smakelijke krenten in een tamelijk ranzige pap.

Wanneer Wijne zijn chronologische, maar overigens ongeordende, kroniek dan eindelijk lijkt te hebben afgesloten, wordt de inmiddels versufte lezer verrast met de blijde boodschap van wat kennelijk als interpretatie is bedoeld. De bedoelde paragraaf, 'De nasleep' getiteld, start met een analyse van de situatie ten tijde van de Eerste Wereldoorlog die niet als nagerecht, maar juist als voorproefje had behoren te worden gepresenteerd. Kordaat stapt Wijne vervolgens over naar zijn stokpaardje, het ventileren van oeverloze, met anti-marxistische oprispingen gekruide, bespiegelingen over het begrip revolutie, de vraag of de SDAP nu wel of niet een revolutionaire partij was én, dat moet toegegeven, over Troelstra's revolutionaire acteren. Zoveel is duidelijk aan deze overpeinzingen, dat Wijne zichzelf vaak en zeer zeker ook graag tegenkomt: met een dodelijke monotonie wordt gerefereerd aan de eigen dissertatie uit 1992, die de auteur overduidelijk als ultieme bron van wijsheid en inzicht beschouwt en die een ware obsedering door het begrip 'ideologie' verraadt. Blind aan één oog staart onze wakkere analyticus naar het ideologische kader der SDAP, maar ziet nooit en nergens haar feitelijke reformisme dat het optreden van óók Troelstra, die inderdaad de échte revolutionairen met vreze vreesde, uiteindelijk determineert. Geen wonder dus dat Wijne tenslotte struikelt over de eigen benen en de SDAP een revolutionaire inborst toeschrijft, om in een duizelingwekkende salto mortale nochtans te poneren, dat Troelstra 'niet tot een revolutie [heeft] opgeroepen zoals tegenstanders van de sociaal-democratie beweren...' (82). De berg, zo kan worden vastgesteld, heeft een muis gebaard en zijn naam luidt...dode mus!

Besproken boeken
Hilde Krips-van der Laan, Woord en daad. De zoektocht van Derk Roelfs Mansholt naar een betere samenleving (Van Gorcum & Comp B.V.) Assen, 1999.
Bert Gasenbeek, Rudolf de Jong en Pieter Edelman (red.), Anton Constandse. Leven tegen de stroom in (Uitgeverij Papieren Tijger/Het Humanistisch Archief) Breda/Utrecht, 1999.
Johan S. Wijne, De 'vergissing' van Troelstra (Uitgeverij Verloren BV, Hilversum, 1999.