Henny Buiting

Willem Drees als zinnebeeld der Nederlandse sociaal-demokratie

Anders dan men op het eerste gezicht zou denken, behelst de hier besproken studie over Willem Drees nadrukkelijk geen biografie, zelfs geen politieke biografie. In zijn inleidende verantwoording wijst de auteur erop, dat persoonlijke omstandigheden van Drees weliswaar aan bod komen, maar dat de studie zich in essentie beperkt ‘tot een beschrijving van Drees’ plaats in, en zijn verhouding tot, de partij’. Daarnaast wordt nadruk gelegd op wat als een ‘opvallende tweeslag’ in Drees’ leven wordt gekenschetst (p. 12), te weten ‘zijn verbondenheid met de socialistische beweging en het socialistische gedachte[n]goed enerzijds en anderzijds zijn rol van praktisch ingesteld bestuurder en van [...] ‘constructeur van de samenwerking’ met andere politieke partijen’.

Deze inperking van het werkelijk immense studieveld tot meer handzame proporties, heeft inderdaad als voordeel dat op het resterende terrein voldoende exercities kunnen worden gepleegd om de toegezegde beschrijving te volbrengen. Deze taak moet zeker niet worden onderschat, omdat het zeer lange partijpolitieke leven van Drees en zijn participatie in een werkelijk ontstellend aantal (partij)politieke gremia borg staat voor een overvloed aan historisch materiaal. De studie biedt inderdaad de beloofde beschrijving van Drees’ opmars binnen de Nederlandse sociaal-democratie en dat zelfs op een zodanige wijze dat van een ‘hinderlijk volgen’ sprake is. De andere kant van de medaille is evenwel, dat de studie even weinig opzienbarend is als de beschreven hoofdpersoon zelf, wiens oer-Hollandse degelijkheid een al te nadrukkelijk stempel van gezapigheid heeft doen drukken op het lange historische verhaal.

Kleinburgerlijke oorsprong
Stammend uit een kleinburgerlijk ‘gematigd orthodox-hervormd’ gezin, wordt Drees (1886-1988) al op vrij jeugdige leeftijd ‘gegrepen’ door het socialisme en treedt, zodra dit statutair mogelijk is, op 5 juli 1904 toe tot de SDAP. Onduidelijk is welke positie hij op dat moment inneemt in een partij, die verscheurd is door de ideologische en machtspolitieke strijd tussen zogeheten ‘marxisten’ en de in de meerderheid zijnde reformisten van Troelstra, Vliegen en Schaper. Brinkman behandelt deze periode door op obligate wijze en zonder eigenlijke argumentatie de Tribunistische marxisten als schuldigen aan partijstrijd en partijschisma aan te wijzen. Over Drees’ positie weet hij echter geen echte duidelijkheid te verschaffen, door te melden dat Drees weliswaar De Nieuwe Tijd leest, vergaarbekken der linkse oppositionelen, maar er kennelijk niet echt door beïnvloed wordt. Brinkman wijst in arrenmoede op Drees’ eigen verklaring van driekwart eeuw later (!), dat het gedachtengoed van de Nieuwe Tijd-groep hem weliswaar ‘eerlijk, zuiver en schoon’ voorkwam, maar dat hij het uiteindelijk als ‘onpraktisch’ en weinig reëel verwierp (p. 21). Dat Drees toch een enigszins aarzelende positie moet hebben ingenomen, toont diens steun aan de opheffing van De Tribune, orgaan der uiterst-linkse Tribunisten, maar het afwijzen van het royement van de Tribune-groep zelf waar het in wezen toch juist om draaide.

In de afdeling Den Haag van de SDAP start Drees een partijcarrière, die kennelijk begunstigd wordt door een opmerkelijke kennis van zaken, door Drees zelf toegeschreven aan zijn werkzaamheden als stenograaf. In 1911 al wordt hij afdelingsvoorzitter en voorzitter van diverse afdelingscommissies, om twee jaar later bovendien deel te gaan uitmaken van de Haagse Gemeenteraad. Degelijk als de Bank van Nederland kruipt de held van het verhaal omhoog naar steeds verhevener posities en het enigszins deprimerende verslag van Drees’ partijtijgerschap wordt slechts zelden doorbroken door afwijkende, laat staan opzienbarende, stellingnames. Men schrikt bijna te vernemen dat Drees zijn Marx en andere sociaal-democratische klassieken beheerste. Deze kennis weerhoudt hem er echter volstrekt niet van het in 1913 door Vliegen, Schaper en tenslotte ook Troelstra gefavoriseerde toetreden van de SDAP tot een burgerlijke regering te steunen. Brinkmans verhandeling van deze voor de SDAP zo cruciale periode is overigens frappant mager door een volstrekt descriptief verslag van ‘het gebeuren’ te plegen en door niet de moeite te nemen een boek als Voor het land van belofte van Sam de Wolff te raadplegen, waarin een buitengewoon fraaie én interpretatieve beschrijving van deze periode.  

Ofschoon Drees in eerste instantie Troelstra’s steun in 1914 aan mobilisatie en godsvrede afwijst, houdt hij zich naderhand opvallend gedeisd en solidariseert zich niet met een ontluikende oppositiestroming. Het verbaast geenszins te vernemen dat Drees tijdens deze periode als raadslid ‘vooral praktisch ingesteld’ is (p. 49), iets wat de lezer klaarblijkelijk als een compliment behoort op te vatten. Hóe praktisch blijkt in april 1918, wanneer zich in Den Haag voedselrelletjes voordoen en Drees begrip weet op te brengen voor, jawel, politie en militairen die - hoewel ‘hier en daar [...] onnoodig kras’ opgetreden - een taak hebben die ‘buitengewoon zwaar, pijnlijk en verantwoordelijk’ is (p. 52). Eigenlijk zien we hier Drees’ carrière én diens ‘socialisme’ in een notedop: er wordt gewikt, zonodig een (leerstellig) beroep gedaan op internationalistische sociaal-democratische principes of zelfs op de klassenstrijd, maar waar gewogen wordt slaat de weegschaal altoos door naar het bestuurlijk rechtlijnige en aanpassende. Drees betoont zich in deze en andere kwesties de perfecte personifiëring van de geschiedenis van de sociaal-democratie in Nederland zelf. Ook deze vertoont immers het anachronistische beeld van schone socialistische ideeën en symbolen temidden van de beslissende factor van een onstuitbaar oprukkend integratieproces. Dat is ook de reden dat Brinkmans eerder vermelde ‘tweeslag’ in het leven van Drees tussen bestuurder enerzijds en socialist anderzijds zo weinig hout snijdt en als dragend kader van de studie zo duidelijk faalt. Drees’ socialisme, hoe schoon ook geuit, reikt nu eenmaal niet verder dan zijn bestuurlijke bestaan, dat geheel ten dienste staat van de emancipatie der arbeiders, i.e. hun integratie binnen een sociaal kapitalisme dat we vandaag de dag in volle luister mogen aanschouwen.

Geschokt door de revolutie van Troelstra
Nadat Drees tijdens de ‘polder-revolutie’ van november 1918 geschokt blijkt door Troelstra’s zogenaamde greep naar de macht en in partijgenoot en voormalig marxist Albarda een bondgenoot heeft die meedeelt ‘geen onlegalen weg in te slaan’ (p. 58), wordt hij in 1919 tot lid verkozen van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en tevens tot Haags wethouder van Sociale Aangelegenheden. Een aanzienlijke deel van het boek is, terecht overigens, gewijd aan Drees’ wethouderschap waarbij vele zaken, waaronder de belangrijke grondpolitiek en natuurlijk de verhouding tot de burgerlijke partijen én de Communistische Partij, aan de orde worden gesteld. In 1927 is Drees deel gaan uitmaken van het partijbestuur, om na zijn afscheid in 1933 als wethouder een loopbaan te beginnen als Kamerlid. Hij keert zich gedecideerd tegen de linkse opposanten die de Onafhankelijke Socialistische Partij in 1932 zullen oprichten en maakt ook anderszins duidelijk weinig gecharmeerd te zijn van ‘linkse deviaties’. Drees blijkt vanaf den beginne voorstander van wat de auteur als ‘vernieuwing van de partij’ kenschetst (p. 142), waarbij geduid wordt op de acceptatie van de monarchie, het nieuwe beginselprogram van 1937 en, ermee verbonden, op de omvorming van de SDAP van arbeiders- tot volkspartij op basis van het zogeheten gezindheidssocialisme. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog is ook de nationale defensie acceptabel en wordt de parlementaire democratie als een belangrijke waarde op zich beschouwd. Het voorlopige eindpunt van dit integratieproject is de toetreding van twee SDAP-ministers in 1939 tot het kabinet-de Geer. Drees wordt dan gepromoveerd tot aanvoerder van de parlementsfractie.

Hoogte- en dieptepunt carrière na 1945
Tijdens de oorlog is Drees betrokken op de discussies over de toekomst der sociaal-democratie, onder meer in Buchenwald en Sint-Michielsgestel waar hij een tijd lang als gijzelaar is geïnterneerd. Hij fungeert dan als eerste man van de SDAP en speelt ook naderhand een belangrijke rol bij de omvorming van SDAP tot PvdA die in februari 1946 zijn beslag krijgt. Men kan zonder overdrijving stellen, dat de naoorlogse periode als culminatiepunt fungeert van Drees’ langdurige carrière, maar tevens dat onder zijn leiding de allerzwartste bladzijden uit de geschiedenis der sociaal-democratie geschreven worden. Drees, direct na de oorlog ‘geroepen tot’ het ministerschap en erna, in 1948, zelfs tot het premierschap, benadrukt met een ijzeren regelmaat dat ‘wij het land de socialistische visie blijven tonen’ (p. 233), om in de praktijk sociale wetten te stimuleren en realiseren die alleszins belangrijk, maar geenszins als ‘socialistisch’ te duiden zijn. Het ‘trekken van Drees’, de invoering van de ‘Noodvoorziening Ouden van Dagen’ in 1947 door Minister van Sociale Zaken Drees, wordt legendarisch ofschoon het uiteindelijk toch vooral de confessionelen zijn die de verzorgingsmaatschappij zullen opbouwen en schragen.

Dan breekt in de nacht van 20 op 21 juli 1947 Drees’ ‘zondeval’ aan met de eerste Politionele Actie, het eufemisme voor een koloniale oorlog die gepaard zal gaan met talrijke oorlogsmisdaden. Drees is op dat moment Minister van Sociale Zaken, vice-premier en eerste man van de Kamerfractie der PvdA. Ook wat betreft deze uitermate belangrijke kwestie analyseert de auteur niet de rol van Drees in zijn algemeenheid - Brinkman verwijst dienaangaande naar de studie van Jan Bank - maar beperkt zich tot ‘het optreden van Drees in de diverse organen van de PvdA..’ (pp. 335-336, n. 113). Dit valt uitermate te betreuren, omdat de als een afzonderlijk Intermezzo gepresenteerde episode nauwelijks afwijkt van het tamelijk vlakke niveau dat de studie als geheel zo typeert. Ook in ijzeren overeenstemming met de hoofdteneur van de gehele studie is dat we vrijwel niets vernemen van de rol van het ‘gewone partijlid’ rond de Politionele Acties. We lezen dat duizenden leden uit de PvdA weglopen, maar voor het overige wordt slechts de rol der partijelite, zij het veel te beknopt, belicht.

Drees, ooit gekant tegen het kolonialisme als een jacht van het kapitalisme op winstmogelijkheden en invloedssferen (p. 47), verdedigt in 1947 zijn eigen koloniale avontuur met het principeloze argument dat regeringsdeelname van de PvdA absolute prioriteit heeft en dat een Kabinetscrisis onaanvaardbaar is omdat deze zou bewijzen dat de partij ‘op een uiterst belangrijk onderwerp in haar beleid heeft gefaald’ (p. 243). Het is weer een zelfde povere logica, die de tweede Politionele Actie kenmerkt, die in de nacht van 18 op 19 december 1948 begint om uiteindelijk uit te lopen op de onontkoombare soevereiniteitsoverdracht van 27 december 1949. Drees is ten tijde van deze Politionele Actie minister-president en draagt de volle verantwoordelijkheid voor de gewelddadigheden die haar kenmerken. Ofschoon zijn optreden ongetwijfeld een zekere bureaucratische logica kent en, zoals we zagen, verband houdt met een zucht hoe dan ook ‘regeringsverantwoordelijkheid te dragen’, blijft het toch zo a-typisch voor een zich sociaal-democratisch wanende partij dat men versteld staat hoe dit mogelijk is. De enige verklaring die Brinkman aandraagt is evenwel het adagium dat ‘opstappen uit de regering niet aantrekkelijk [gevonden werd]’, vergezeld van Drees’ ‘argument’ dat is opgetreden om ‘een grotere crisis te voorkomen’ (pp. 249, 252).
 
De resterende periode van Drees’ politieke loopbaan reikt tot 1958, wanneer Burger op de ‘Fakkeldragersdag’ van 22 november zodanige eisen formuleert, dat een kabinetscrisis onontkoombaar blijkt. Drees vertrekt voorgoed uit de politiek en zijn PvdA zal, na een langdurige electorale neergang, eerst in 1965 weer tot een regering, het Kabinet-Cals, toetreden. De dankbare partij benoemt Drees tot ‘lid-voor-het-leven van het partijbestuur’(p. 265), maar moet in 1971 met lede ogen aanzien dat haar voormalige aanvoerder de PvdA verlaat uit onvrede vooral over een door ‘Nieuw Links’ geïnitieerde koers, waarin Drees zich niet meer herkent. Hij sympathiseert sindsdien met DS’70, een rechtse afsplitsing van de partij aangevoerd door zijn zoon Willem, maar wordt er nooit lid van. Hoogbejaard sterft Drees op 14 mei 1988.

Balans van de studie
De verdienste van deze studie steekt vooral in de consciëntieuze weergave van het bestuurlijke en partijpolitieke functioneren van Willem Drees en daarnaast in de vele belangwekkende beschouwingen over de hogere partijgremia, hun onderlinge fricties en de verhoudingen, spanningen en conflicten tussen de leden ervan. Deze niet te onderschatten kracht van de studie, die vele nieuwe gegevens heeft opgeleverd, maakt evenwel tevens haar zwakte uit. De ‘bestuurlijke’ aanpak van de auteur, geconcentreerd op partijorganisatorische verhoudingen en partijpolitieke elites, verleent het boek een zelden doorbroken vlakheid en negeert bovendien de rol van het ‘gewone partijlid’ en van de ‘brede middenstof’, die het functioneren van Drees verregaand moeten hebben beïnvloed. De compositie van het boek tenslotte - een historische chronologie, onderbroken door enkele thematische stukken - is weinig opzienbarend en de poging de studie te structureren door een zeker spanningsveld tussen Drees als ‘bestuurder’ enerzijds en ‘socialist’ anderzijds valt evenmin als overtuigend te typeren.

Maarten Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA. Amsterdam, 1998.