Erik de Graaf, Homme Wedman

Indonesië-weigeraars en Indië-gangers


Het lijkt allemaal eenvoudig: na de Tweede Wereldoorlog zond de Nederlandse staat 120.000 dienstplichtigen overzee naar Nederlands-Indië, om daar rust en orde te herstellen. Rond de 4000 dienstplichtigen onttrokken zich uiteindelijk aan opzending. De meesten van hen ondergingen wegens desertie een gevangenisstraf, die tot vier jaar kon oplopen. Enkelen wisten zich door buitenlands te blijven aan die straf te onttrekken.

Tekeing Bill A.P. Goddijn

Toch is er op dit eenvoudige beeld wel wat af te dingen. In de eerste maanden na de bevrijding hadden zich rond de 120.000 vrijwilligers gemeld. Van hen deden 20.000 man hun opgave gestand en vertrokken in herfst en winter naar Ons Indië. Van de 100.000 'afgemelde oorlogsvrijwilligers' werd een klein aantal, dat de pech dat hun aanmeldingsformulier teruggevonden werd in de chaotische administratie, aangemerkt als deserteur. Ze werden overgebracht naar een strafkamp in Muiderberg. Over deze eerste generatie Indonesiëweigeraars is vrijwel niets bekend, noch hun aantallen, noch hun ervaringen zijn geboekstaafd. Over hun motief kan speculatief opgemerkt worden dat door de capitulatie van Japan in augustus 1945, hun aanmelding om tegen de bezetter te vechten overbodig geworden was.

Een tweede verscholen groep Indonesiëweigeraars schuilt waarschijnlijk onder de 2000 personen die in de naoorlogse jaren een beroep deden op de Wet Gewetensbezwaren Militaire dienst. Slechts een derde werd erkend en tewerkgesteld, de rest ging in dienst, werd afgekeurd, weigerde alsnog uitgezonden te worden of dook onder en werd dan wel of niet gepakt. Ook van degenen die een beroep op de dienstweigeringswet deden, is heel weinig bekend evenmin als van hun motieven. We mogen slechts aannemen dat de Indonesische kwestie een rol speelde bij de sterke toename van het aantal principiële dienstweigeraars.

Een derde groep, die in het historische duister is gebleven, wordt gevormd door de dienstplichtigen, die aanvankelijk weigerden naar Indië te gaan, maar uiteindelijk bezweken voor de op hen uitgeoefende druk om bakzeil te halen. Van de eerste divisie, die verscheept werd in september 1946, de Zeven December divisie, kwam 10% van de 20.000 manschappen niet opdagen na het inschepingsverlof. De gepakte weigeraars werden alsnog op de boot gezet en in Batavia voor de krijgsraad gesleept. Na enkele maanden gevangenisstraf  konden ze hun diensttijd volmaken in Indië. Na oktober 1946 werden weigeraars niet meer verscheept, maar in Nederland berecht voor de Kamer van de Krijgsraad te Velde West in Rotterdam. Naast de 4000 dienstplichtigen, die in hun weigering volhardden, waren er vele duizenden, die zwichtten en alsnog dienden. Over hun wedervaren is vrijwel niets bekend.

De kleinste groep 'weigeraars' wordt gevormd door de 26 manschappen die in Indië deserteerden. Van hen is het meest atypische geval, dat van Poncke Prinsen, dat voortdurend de meeste aandacht trekt. Van zijn 25 mede-deserteurs is alleen Piet van Staveren enigszins bekend geworden. Wie heeft ooit gehoord van de laatste deserteur, die tien dagen voor het vertrek naar het vaderland de plaat poetste en nu nog steeds stil woont in Indonesië met de Javaanse vrouw, die indertijd al zijn vriendin was? Zonder de handelwijze van Poncke Prinsen te willen vergelijken met die van kapitein Raymond Westerling is er toch een opvallende gelijkenis tussen hen in de wijze, waarop ze de publieke opinie en het collectieve geheugen beroerd hebben. Voor de tegenstanders  van het Nederlandse optreden in Indonesië in de jaren 1945-1950 staat Westerling model voor  de foute en schandelijke wijze waarop Nederland heeft geprobeerd zijn kolonie te behouden. Bij degenen, die dat optreden in Indië nog steeds billijken - vooral onder oud Indië-gangers zijn ze te vinden -  werkt alleen de naam Poncke Prinsen al als een rode lap op een stier. Voor hen gaan alle deserteurs achter die beladen naam schuil. 'Echte' Indonesië-weigeraars blijken daar lang niet altijd gelukkig mee te zijn. Jarenlang gevangen zitten, omdat je niet overzee wil vechten is ook wel wat anders dan daar ginds overlopen.

De ware Indonesië-weigeraar
Was bij de bovengenoemde soorten weigeraars vooral sprake van een wegfiltering uit ons collectieve geheugen, bij de ware Indonesië-weigeraars gaat het in de beeldvorming tot nu toe  minder om een vergeten en meer om een nogal eenzijdige voorstelling van zaken. In de twee boeken en in diverse perspublikaties die de afgelopen twee decennia aan de Indonesië-weigeraars zijn gewijd is er als gezegd vrijwel geen plaats voor anderen die zich verzet hebben tegen uitzending, dan de 4000 dienstplichtigen die in Nederland als deserteur veroordeeld en gevangen gezet werden. In die beperkte  geschiedschrijving schijnt het zoeklicht vervolgens vooral op de ware weigeraars die politieke motieven hadden, zich bij voorkeur in CPN-milieus bewogen en vooral afkomstig waren uit Amsterdam en de Zaanstreek. Van de gehele groep weigeraars was 45% afkomstig uit Noord-Nederland en onder hen  - maar ook onder de 35 % Amsterdammers en Zaankanters en  de 20 % van elders afkomstigen - waren er velen die op grond van een veelheid van andere motieven dan bewuste links-politieke tot in Schoonhoven, Bankenbosch en Vught volharden in hun verzet tegen gewapend optreden in Indië/Indonesië. Dat zij bestonden werd eind jaren tachtig duidelijk toen ze in verzet kwamen tegen de dominantie van 'politiekers' tijdens reunies van Indonesië-weigeraars.

Nieuw onderzoek naar de Indonesiëweigeraars is gaande. Op grond van de 16 tot nu toe afgenomen nieuwe interviews en een proef-enquête onder 45 personen is het nog niet goed mogelijk tot een volledige herschrijving van het geschiedverhaal te komen. Zelfs indien een veel groter aantal interviews en een grootscheeps enquLte gehouden zullen worden blijft de kans bestaan dat overledenen en andere non-respondenten andere ervaringen en opvattingen hadden en hebben dan de wel geraadpleegde. Maar waar we in de geschiedschrijving vaak al blij zijn met één bericht van één mesjoggene Middeleeuwse monnik hoeven we ons niet al te veel zorgen te maken als we over een substantieel aantal getuigenissen van zoveel verschillende Indonesië-weigeraars kunnen beschikken.

Verjaarsdagswens

Wat uit de nu beschikbare getuigenissen blijkt is de variatie in motieven, die de weigeraars tot hun handelwijze bracht. Natuurlijk ontbreken de politiek bewusten niet, die als vijftienjarige aan de Februaristaking meededen, de Waarheid lazen, lid van het ANJV waren en nu nog de geschiedenis als een geheel van lijden en strijden zien. Maar we komen ook mensen tegen die niet wilden gaan omdat ze bang waren voor oorlog, omdat ze niet uit hun streek wegwilden of omdat ze niet bij hun meisje vandaan wilden. Van degene, die morele bezwaren als motief voor de weigering opgeven, blijken enkele godsdienstig geinspireerd te zijn. De meerderheid van de weigeraars lijkt evenwel geen kerkelijke binding te hebben gehad. Ervaringen tijdens de Duitse bezetting blijken een wisselende rol gespeeld te hebben. Vaak wordt de weerzin vermeld om nu zelf als bezetter te gaan optreden in een vreemd land. Daarnaast komt als psychologisch motief herhaaldelijk naar voren dat men de staat het recht ontzegde op zo een ingrijpende manier in het eigen leven in te grijpen.

Wat de getuigenissen verder opleveren is een vrij nauwkeurig beeld van de gang van zaken in de verschillende locaties, waar de weigeraars gevangen zijn gehouden. Een veelgehoorde grief is het verschil in behandeling en strafmaat tussen de weigeraars en NSB-ers, die vaak in dezelfde kampementen waren ondergebracht. Variatie is herkenbaar in de invloed die de weigering op het verdere leven heeft gehad. Sommigen hebben er duidelijk een knauw door gekregen, anderen zijn gesterkt door hun ervaringen. Die verscheidenheid blijkt ook in de wijze waarop op de belangrijke periode in het eigen leven wordt teruggekeken. Wat bij IndiNgangers nogal eens voorkomt, namelijk spijt over de indertijd genomen beslissing, ontbreekt bij de weigeraars. Maar waar de een vol mildheid terugziet, zijn er anderen die nog altijd een diepe wrok koesteren. Verrassend is de hoeveelheid documentatie, die men thuis bewaard heeft bewaard. Gericht zoeken moet voldoende materiaal opleveren voor een aardige tentoonstelling van het Vredesmuseum, als onderdeel van de herdenking van de soevereiniteitsoverdracht vijftig jaar geleden in 1999.

Batig slot
Voortgezet onderzoek naar IndonesiN-weigeraars heeft alleen maar zin, als het gedaan wordt in het totale verband van de geschiedschrijving van de manier waarop Nederland van zijn koloniNn afscheid heeft genomen. En net als met de collectieve herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is geschied en nog verder kan gebeuren, geldt ook hier dat we van 'goed' en 'fout', van oordelen à priori af moeten. Dat kan heel goed samengaan met respect en persoonlijke waardering voor de  IndonesiN-weigeraars die geïnterviewd en ge"wnquêteerd worden. Die werkvorm levert niet alleen voor het historisch onderzoek wat op. Het feit, dat naar hun ervaringen gevraagd wordt, geeft de weigeraars voldoening. Op die voldoening hebben ook de overlevenden van de 120.000, die wel gingen, recht.