Marie Christine van der Sman

Avonturenroman over Amsterdamse socialisten

Sinds Jacques Giele’s aandacht voor de ‘Oude Beweging’ in Amsterdam is het betrekkelijk stil geweest. Gelukkig is er nu het proefschrift ‘Waarachtige volksvrienden’ van Dennis Bos. In dit proefschrift geeft de auteur een systematische beschrijving van de vroege arbeidersbeweging in de hoofdstad en geeft deze een gezicht. Sterker nog, hij geeft het socialisme in de periode 1848-1894 een ziel door uitgebreid aandacht te besteden aan het maatschappelijke circuit waarin de socialisten verkeerden. De getuigenissen en portretten van de voormannen vormen een postuum eerherstel aan de vergeten, dappere voorvechters van een meer rechtvaardige samenleving. Bos rekent op overtuigende wijze af met de 19de eeuwse opinie dat de vroege socialistische beweging bestond uit een ‘groepje schreeuwers’ die ‘de leerschool der ontgoocheling’ doorliepen totdat ‘de dageraad der volksbevrijding’ (met de oprichting van de Sociaal Democratische Vereeniging in 1878) een aanvang nam, een mening die in de historiografie lang stand heeft gehouden.

De vroege socialisten oriënteerden zich vooral op plaatselijk niveau en formele organisatiestructuren speelden veelal een ondergeschikte rol. Dat was overigens in Amsterdam niet anders dan in bijvoorbeeld Den Haag waar het socialisme in die periode op dezelfde wijze startte. Bovendien waren de politieke doelstellingen en ideologische voorstellingen bij de socialisten zeer divers. Toch hoeft dat niet als zwakte te worden getypeerd. Volgens Bos is het een misverstand om het vroege socialisme als een politieke partij in de moderne zin van het woord op te vatten. Men moet het meer zien als “een sociaal netwerk annex ‘cultureel circuit’ van mensen die een aantal samenhangende symbolen, rituelen en mentaliteiten deelden.” Om die stelling te verdedigen gaat hij als een antropologisch veldwerker aan de slag. Hij kiest daarbij het theoretische model van de Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz door de microkosmos van de vroege Amsterdamse socialisten in detail te bestuderen. Met deze methode van ‘thick description’  konden verborgen sociale verbanden en betekenissen zichtbaar worden gemaakt. In tweede instantie werd de wereld van de socialisten in een bredere stedelijke omgeving geplaatst. Uit de confrontaties tussen de ‘eigen wereld’ van de socialisten en de hen omringende wereld konden vervolgens de revolutionaire opvattingen van de Amsterdamse volksvrienden worden afgeleid. Tot slot werd de ‘oude beweging’ bekeken vanuit het perspectief van het versnelde maatschappelijke en politieke moderniseringsproces rond de eeuwwisseling, die uiteindelijk zorgde voor haar deficit ten gunste van de ‘heerachtige’ en ‘moderne’ sociaal-democraten.

Een rondrit langs Amsterdamse wijken
‘Waarachtige volksvrienden’ leidt de lezer op indringende wijze door de 19de eeuwse arbeiderswijken van Amsterdam, langs de sloppen in de Jordaan, door het Volkspark, langs de Bierkaai, het Noordsebos, De Jodenhoek, het Hemelrijk en de Oostelijke eilanden. Plekken die heden ten dage nog goed te traceren zijn. We volgen de meeslepende verhalen van de hoofdpersonen van het Damoproer uit het internationale revolutiejaar 1848, het eerste georganiseerde sociale en politieke verzet dat ontstond onder invloed van geïmmigreerde Duitse ambachtslieden; communisten, die binnen hun Duitse kosthuizen en cafés in de Pijlsteeg een stimulans gaven aan de arbeidersbeweging in de stad. Na hun (gedwongen) vertrek in 1848, volgde een relatief kalme periode waarin werklieden zich begonnen te verenigen. Rond 1865 zou zich een ware explosie aan Amsterdamse werkliedenverenigingen voordoen. De Algemeene Nederlandsche Typografenbond werd de eerste landelijke vakbond. Men kwam bijeen in de ‘gezellige’ kringen van vakverenigingen, eigen bierhuizen en vrije denkers, zoals de kring rond het blad De Dageraad. Openbare vergaderingen werden goed bezocht, zowel door mannen als door vrouwen, die het als een gezelligheidsvereniging van buurtgenoten beschouwden.

Na de oprichting van de Eerste Internationale in 1864 in Londen kwam er een vaste verbinding tussen Nederland en de Internationale tot stand. In 1869 werd het Internationale Werkliedenverbond (IWV) opgericht tijdens een vergadering op de Nieuwmarkt. De kleermaker Hendrik Gerhard werd daarvan de voorman. Men streefde er vooral naar meer vakverenigingen op te richten. Het weekblad De Werkman, Orgaan voor Arbeidersvereenigingen werd hun spreekbuis. Het blad werd op vaste punten in de stad aangeplakt. De Internationalen werden gevormd uit een klein netwerk van buurtbewoners, naaste collega’s en families van radicale drukkers, vrijdenkers en vakverenigingsmannen. De meerderheid van de Amsterdamse werklieden zocht echter een eigen weg voor lotverbetering. In 1869 brak een scheepstimmerliedenstaking uit in eis tot loonverhoging. Deze actie zou leiden tot de oprichting van de vakvereniging Eendracht. Opvallend daarbij was de rol van de echtgenoten van de stakende werklieden. Uit solidariteit met hun mannen gingen ze werkwilligen te lijf. Steun van de buitenlandse Internationale wilde men niet aanvaarden. De actie bleef beperkt tot de buurt van de Oostelijke eilanden. Dit soort acties kwamen ook in andere delen van de stad voor.

Na de strijd tussen de ‘politieke vleugel’ van Karl Marx en de anarchistische groep rond Michael Bakoenin tijdens het congres in Den Haag in 1872 hield de Internationale op te bestaan. Een optreden van de serieuze en zwaar op de hand zijnde Karl Marx in lokaal Dalrust baarde weinig opzien. Vooral de plannen om de bevoegdheden van de Centrale Raad van de Internationale te vergroten moet de Amsterdammers kopschuw hebben gemaakt. Er waren nauwelijks honderd mensen aanwezig. De Zwitserse en Spaanse anarchisten die dezelfde avond te gast waren bij de stakende typografen maakten meer indruk.  
 
In 1878 werd een plaatselijke Sociaal-Democratische Vereeniging (SDV) opgericht, mede onder invloed van het succes van sociaal-democratische klassenstrijders als August Bebel en Wilhelm Liebknecht in Duitsland. Daarmee werd een nieuwe fase in de ontwikkeling van de socialistische arbeidersbeweging in Nederland ingeluid. De SDV vormde een klein en hecht gezelschap. Zaal Cosmopolite, het bierhuis van P.J. Penning in de Dijkstraat, werd de thuishaven van de sociaal-democraten. De oude Internationalen behoorden tot de eerste leden van de SDV. Al spoedig kwam de SDV in aanraking met ‘de rode dominee’ Ferdinand Domela Nieuwenhuis die in de Werkmansbode een reeks sociale brieven schreef. In 1897 hield hij voor een gehoor van honderden werklieden in lokaal De Vereeniging in de Warmoesstraat een lezing met de titel ‘Wat willen de socialisten?’ Nog datzelfde jaar zou Domela de kansel in Scheveningen verlaten om zich geheel aan zijn socialistische idealen te kunnen wijden. 

De politie zag de bijeenkomsten van de socialisten met lede ogen aan en verjoegen ze uit hun vaste zalen. Het ledental van de Sociaal-democratische Bond groeide en er werden ‘monstermeetings’ gehouden, die in de jaren 1885 tot 1888 soms door meer dan achtduizend Amsterdammers werden bijgewoond. Het was een tijd van economische recessie en grote werkloosheid. Via straatcolportage werd het blad Recht voor Allen aan de man gebracht. Veel beroering veroorzaakten de processen tegen Bart van Ommeren, secretaris van de Bond voor Algemeen Kiesrecht, omdat hij verdacht veel buitenlandse lectuur ontving en betrapt zou zijn bij het aanplakken van een socialistisch biljet, hetgeen hem een jaar eenzame opsluiting opleverde, de veroordeling van Domela tot een jaar gevangenisstraf wegens majesteitsschennis en de 26 dodelijke slachtoffers, die vielen tijdens het palingoproer in de Jordaan. In de periode 1890 tot 1894 raakte de socialistische arbeidersbeweging hopeloos verdeeld door tegenstellingen tussen ‘revolutionaire’ en ‘parlementaire’socialisten. Vergaderingen liepen vaak uit de hand omdat men elkaar met spot en lasterlijke aantijgingen te lijf ging. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) werd in 1894 als landelijke partij opgericht. De SDB werd ontbonden en Domela bleef als leider van de anarchistische stroming actief binnen de Socialistenbond.

Waardering
Bos concludeert zijn betoog met: ‘voor de ‘moderne’ sociaal-democraten moet het, overtuigd als zij waren van de superioriteit van hun inzichten, een bittere ervaring zijn geweest: juist de Amsterdammers die sinds jaar en dag de voorhoede van het socialisme in Nederland hadden uitgemaakt, toonden zich in hoge mate immuun voor de parlementaire verleiding’.

Bij deze laatste zin wil ik een kanttekening maken. Geertz’ ‘thick description’ biedt de mogelijkheid om zeer gedetailleerd onderzoek te doen in kleine gemeenschappen, maar het gevaar daarbij is dat men het onderzochte gedrag als exclusief voor een bepaalde groep mensen beschouwt en dat men de context uit het oog verliest. Nu is dat in het de publicatie van Bos niet het geval voor zover het de stad Amsterdam betreft, hoewel er nauwelijks melding gemaakt wordt van bijvoorbeeld Christelijke vakverenigingen. Maar het is beslist niet waar dat uitsluitend Amsterdammers de voorhoede van het socialisme in Nederland uitmaakten. In Den Haag bijvoorbeeld vond in 1871 de eerste door de Internationale georganiseerde arbeidersstaking plaats in de ijzerpletterij Enthoven. In ‘de rode residentie’ werd ook het vijfde congres van de Internationale gehouden in café Excelsior in de Lange Lombardstraat. Bij die gelegenheid logeerde Marx een week in een pension aan het Spui. De Haagse afdeling van de SDV stond onder de bezielende leiding van Domela Nieuwenhuis, die pas in 1890 naar Amsterdam verhuisde. Tijdens de revolutionaire jaren 1885 en 1886 was clubgebouw Walhalla de brandhaard van de beweging. Van 1882 tot 1890 was hier de Centrale Raad van de Sociaal Democratische Bond gevestigd. Het partijblad Recht voor Allen werd bovendien gedrukt op de persen van drukkerij Excelsior. Tijdens massabetogingen gingen duizenden mensen de straat op of verzamelden zich op het Malieveld.

Ondanks deze zekere mate van gezichtsvernauwing is ‘Waarachtige volksvrienden’ een vlot geschreven boek, dat leest als een avonturenroman. Eindelijk wordt afgerekend met de zware kost van boeken die arbeidersgeschiedenis vooral met behulp van kwantitatieve gegevens beschrijven. Dit mentaliteitshistorisch onderzoek, waarbij onder andere gebruik wordt gemaakt van periodieken, politie-archieven, bevolkingsregisters en familie-archieven resulteerde in een unieke kroniek van het dagelijkse leven van de vroege socialisten in Amsterdam. Het is te hopen dat een dergelijk onderzoek ook nog eens naar de ‘oude beweging’ in Den Haag wordt verricht.

Dennis Bos, Waarachtige volksvrienden, Amsterdam 2001.