Ger Harmsen

Herinneringen aan Gerda van Asselt
       

Gerda van Asselt leerde ik kennen toen zij mij op een bijeenkomst van Kerk en Wereld op De Horst in Driebergen aansprak. Ik hield daar samen met Anton Constandse een lezing ‘Over de voetstappen van Marx in de wereld van vandaag’. Blijkens de uitnodiging was dat op 11 mei 1968.

Gerda was een levendige vrouw, klein van stuk, bepaald niet verlegen. Ze vertelde dat ze over twee jaar in 1970 met pensioen ging en dan sociaal-historisch onderzoek wilde doen in haar geboorteplaats Dedemsvaart en vroeg of ik haar daarbij wilde helpen. Ik was aanvankelijk sceptisch niet alleen vanwege haar leeftijd maar misschien ook doordat deze bijeenkomst bevolkt werd door mensen die op zoek waren naar het hogere en er niet naar uitzagen dat ze stonden te trappelen om gedetailleerd droog archief-onderzoek te doen. Bovendien had Gerda daar geen enkele ervaring mee en geen universitaire opleiding al tilde ik aan dat laatste niet zo zwaar maar ze moest zich het historisch handwerk nog helemaal eigen maken. Deze scepsis bleek al snel geheel misplaatst. Tegenwoordig komt het vaker voor dat gepensioneerde academici alsnog een boek of zelfs een dissertatie schrijven maar 35 jaar geleden was dat beslist ongewoon zeker onder niet-academici.

Jeugd
Laat ik eerst iets vertellen over haar levensloop vóór haar pensionering. Gerda Frederika van Asselt werd 5 januari 1905 te Avereest geboren als dochter van Frederika Louise Benkemper en Gerrit van Asselt. Haar moeder woonde vóór haar huwelijk in Amsterdam en daar vond ook op 8 december 1898 de huwelijkssluiting plaats. Het echtpaar vestigde zich 2 januari 1899 te Avereest-Dedemsvaart waar Gerrit van Asselt directeur werd van de Dedemvaartsche Stoomtramweg Maatschappij. Op 24 september 1899 werd een dochter geboren. De vader van Gerda was een man die geheel opging in zijn werk maar hij was wel geïnteresseerd in politiek, althans hij was lid van de Liberale Partij 'De Vrijheidsbond'. Haar vader was Hervormd en haar moeder Luthers maar de kinderen lieten ze blijkbaar vrij zelf een levensovertuiging te kiezen. Gerda doorliep in Dedemsvaart de ULO en mocht daarna naar de RHBS in Zwolle waar zij in de derde klas kwam. In deze klas zat ook de drie jaar jongere Hilda Jonker, na haar huwelijk Verwey-Jonker. Twee jaar zaten ze samen op school en toen verhuisde het gezin Jonker naar Leiden (in de zomer van 1924 werd de moeder van Hilda benoemd aan de Meisjes-HBS te Leiden), maar de vriendschap hield stand. Gerda kwam in aanraking met de vrije jeugdbeweging en hield hier lang een band mee want ze schonk mij Frobenius 'Mit uns zieht die neue Zeit, eine Geschichte der deutschen Jugendbewegung' dat in 1927 verscheen. Ze volgde een opleiding voor bibliothecaresse en werkte daarna als assistente aan de openbare leeszaal te Rijswijk.

Vervolgens kreeg ze een benoeming als directrice van de openbare leeszaal in Franeker. Hier werkte ze vele jaren. De leeszaalbeweging was in het midden van de 19e eeuw in Groot-Brittannië en Scandinavië ontstaan en drong kort voor 1900 door in Nederland. Het was een uiting van sociaal-idealisme: ontwikkeling en cultuur aan het volk brengen. Dit sociaal-idealisme sloot aan bij het vrije jeugdidealisme. Het was aanvankelijk een stedelijke aangelegenheid waarbij vooral de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen een rol speelde. Gerda stichtte in de omgeving van Franeker correspondentschappen in Harlingen, Achlum, Dongjum, Herbaijum en Tjummarum. Het gaat volgens de wervingsfolder die Gerda opstelde: om het lezen van 'Boeken die U den nood der tijden doen vergeten, als juist die, welke U een blik geven in het leven van hen, die in dezen tijd het zwaarst getroffen zijn.'

Contacten in Berlijn en Moskou
Als een hoogtepunt in haar leven beschouwde ze haar deelname aan de groepsreis in juli 1934 naar de Sovjet-Unie want als zovele socialistische leeftijdsgenoten verwachtte ze dat het socialisme daar het eerst werkelijkheid zou worden. Deze Intourist-reis werd vanuit Berlijn georganiseerd. In Berlijn ging ze eerst op bezoek bij een collega van haar vader met wie zij schriftelijk een afspraak gemaakt had. Hij ondertekende zijn brief behalve met hartelijke groeten ook met het verplichte Heil Hitler. De sfeer in Berlijn was grimmig. Het was vlak na de massamoord in de nacht van de 'lange Messer' op 30 juni en 1 juli 1934. In de toenmalige Sovjet-Unie bezocht zij Charkov, Kiev, Moskou en Leningrad. Aan deze reis dank ik de enige foto die ik van haar heb. Op de groepsfoto van vooral Engelse dames staat ze vooraan in het midden. Ondertussen heeft Hilda Verwey mij een door haar zoon gemaakte foto uit haar laatste levensjaren geschonken. Ze ging in Moskou Dirk Schermerhorn opzoeken met wie zij blijkbaar een band had maar zij trof hem niet thuis zoals zij in een brief aan haar ouders berichtte. Zij maakte veel aantekeningen vooral over de bibliotheken die op haar weg kwamen. Levenslang zou zij alles wat aan deze reis herinnerde tot en met de treinkaartjes toe, bewaren. Zij trachtte zich het Russisch eigen te maken, nog in de oude spelling, zoals uit het bewaard gebleven oefenschrift blijkt. Ze had al vóór de reis enige jaren schriftelijk contact met Russische bibliotheken en richtte in januari 1934 een tentoonstelling in over het bibliotheekwezen en de gezondheidszorg in de Sovjet-Unie. Zij vroeg de notabelen in Franeker hun mening hierover te geven. Bewaard gebleven is een brief van de tandarts J.A. Moulijn van 28 januari 1934 waarin hij zich positief uitlaat. Kommunistische propaganda' kon hij er absoluut niet in zien. Alleen de felle anti-christelijke campagne van de goddelozen-beweging stoorde hem al voegde hij hier direct aan toen dat de Orthodoxe Kerk het er wel naar gemaakt had. Gerda zelf was zeker niet ongodsdienstig. Zij was lid geworden van de vrijzinnige Protestantenbond.

Haar moeder vestigde zich op 1 september 1936 vooruitlopend op de pensionering van haar man alvast in Utrecht. Haar vader verhuisde ook na zijn pensionering naar Utrecht maar overleed al op 14 april 1937. Haar moeder woonde in Utrecht op verschillende adressen. Om dichter bij haar moeder te zijn met wie zij een zeer nauwe band had, solliciteerde Gerda naar een baan bij de openbare leeszaal in Tiel. Ze was er directeur van 1946 tot 1967. Een medewerker herinnert zich haar als 'een kleine gedreven vrouw, voor wie inkomen en status in het niet vielen bij de opdracht om als sociaal-culturele instelling een pedagogisch doel te verwezenlijken. Het eigen personeel leerde ze kritisch lezen in "huislessen" en wekelijkse boekbesprekingen, waarin alle vier medewerkers bij toerbeurt een boek, fictie of non-fictie, analyseerden.' De laatste anderhalf jaar voor haar pensionering werkte zij aan een opdracht in Soest. Tenslotte woonde zij evenals haar moeder in Driebergen. Lange tijd in een van de witgeschilderde huisjes van Park Welgelegen en tenslotte in de Van Limbeecklaan. Dit over haar persoonlijke levensloop.

Stokoud en een ijzeren gezondheid
Weldra bleek me dat ik te maken had met een vrouw die geheel opging in empirisch onderzoek. Ze ontwikkelde zich tot een minutieuze en hardnekkige pluizer. In haar onderzoek naar de minst bedeelde lagen van de werkende bevolking verloochende ze haar socialistische overtuiging niet, al vinden we deze in haar publicaties niet expliciet terug. Toch spraken we zelden over politieke onderwerpen en haar persoonlijke leven kwam nauwelijks aan de orde, maar het mijne inclusief mijn gezinleven echter des te meer en ze gaf ook raad waar het pas gaf. Wel maakte ze tegen mij bezorgde opmerkingen over haar stokoude moeder. Zo zei ze een keer over haar moeder: het is geen zegen om zo oud te worden (107) te worden dat je je eigen dochter nog ziet dementeren. Gerda zorgde ook voor haar. Een keer moest ze op een vergadering verstek laten gaan en toen ik haar verontschuldigde met de opmerking dat ze voor de verjaardag van haar moeder die 106 werd boodschappen moest doen wekte dit alom consternatie. Haar moeder overleed in december 1984 op 110-jarige leeftijd.

Gerda van Asselt, fotograaf Maarten Verwey.

Gerda zei van zichzelf dat ze een ijzeren gezondheid had en over een grote werkkracht beschikte. Ze dacht dat ze ondanks haar 65 jaar nog tientallen jaren voortkon. Ze raakte geheel vervuld van het onderzoek dat ze deed maar had ook de behoefte aan historische verdieping en wilde zich in sociaal-economische handboeken verdiepen. Ze vroeg om literatuur. Ik maakte haar wegwijs. Ik bracht haar in aanraking met Johan Frieswijk, Bob Reinalda en Henk Prakke. Deze contacten inspireerden haar. Het onderzoek kostte echter geld. Ze schreef (27 maart 1970): 'de leeszaalpensioenen zijn voor de vroege werkers in ons vak heel laag. Het onderzoek dat ik doe, wordt veel kostbaarder dan ik had gedacht. Daarom hoop ik, op de een of andere manier, er iets voor terug te krijgen door de resultaten te kunnen publiceren'. Inderdaad was haar pensioen laag, maar ze had veel geld geërfd. Daar had ze het tegenover mij niet over. Ze vond blijkbaar dat historisch onderzoek betaald moest worden. Honorarium voor wetenschappelijke artikelen behoorde echter niet tot de mogelijkheden maar wel misschien een onderzoekstoelage. Ik probeerde de hoogleraren Theo van Tijn en J.M.G. van der Poel, de man van Heren en Boeren, werkzaam bij Agrarische Geschiedenis aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen, voor haar onderzoek te interesseren aangezien zij dichter bij de geldkranen zaten dan ik en ervarener waren in het opendraaien ervan. Dit leverde echter niets op. Evert Verwey, de man van Hilda, en een vooraanstaand geleerde, raakte doordrongen van het wetenschappelijk belang van haar onderzoek. Hij zat in het bestuur van ZWO en zette zich voor Gerda in. Het lukte vanaf 1 juli 1971 een maandelijkse toelage en een onkostenvergoeding als wetenschappelijk ambtenaar in halve en tijdelijke dienst te verwerven. Ook voor een functionerend leesapparaat moest gezorgd worden. De Rijksuniversiteit van Utrecht beschikte over drie kapotte apparaten maar door bemiddeling van Verwey die in het curatorium zat werd er één gerepareerd.

Over hannekemaaiers
Bij toeval liep ze tijdens een Waddenvakantie de tent van de Innere Mission binnen waar de Duitse badgasten die daar behoefte aan hadden een kerkdienst konden bijwonen. Ze raakte aan de praat met de Reiseprediger en kwam aan de weet dat de Innere Mission al meer dan anderhalve eeuw voor het welzijn van Duitsers in Nederland zorgde en in de negentiende eeuw zich vooral met de Wanderarbeiter in de Nederlandse venen bemoeiden. De verslagen van deze Reiseprediger waren bewaard gebleven. Ze kreeg uit Berlijn via Dr. Helmut Talazko die ze van bijeenkomsten in Woudschoten kende, microfilms met de verslagen (1860-1893) van deze conferenties van Reiseprediger. Ze had toen al in haar DAF verschillende archiefreizen naar Duitsland gemaakt. Talazko, de archivaris van de Innere Mission in Berlijn verklaarde schriftelijk dat zij als enige het recht had deze documenten in Nederland uit te geven. Haar onderwerp werd de Hollandgänger vanaf de 17e eeuw tot 1914 maar in hoofdzaak de periode 1849-1893 die de Reiseberichte van de Reiseprediger omvatte. Gerda nam de gigantische taak op zich deze documenten te ontcijferen en kwam hier ondanks jarenlang ingespannen werken niet geheel mee klaar. Gerda nam het initiatief voor een Duits-Nederlandse werkgroep 'Vorbereitung der Quellenedition "Hollandgänger - Berichte der Reiseprediger'. De documenten zouden in Duitsland uitgegeven worden. Onder meer noemde Gerda me de namen van geleerden in Bochum (de hoogleraren Albin Gladen, Antje Kroes en Günter Brakelmann en verder Peter Schramm, Helmut Talazko en Jan Lucassen). Met Antje Kraus raakte ze persoonlijk bevriend. De commissie bestond in hoofdzaak uit oudere geleerden met de nodige gezondheidsproblmen en dat kwam de voortgang van het onderzoek niet ten goede. Gerda belde en schreef me geregeld. Ik citeer letterlijk uit de brieven en genotuleerde telefoongesprekken zonder daar commentaar op te leveren. Ze kwam ook langs in haar DAF. Ze wilde me nauwer bij het onderzoek betrekken. Zo vertelde ze me op 14 oktober 1981 telefonisch over een driedaagse bijeenkomst van haar Commissie Deutsche Wanderarbeiter. Ze wilde behalve vertegenwoordigers van de Vrije Universiteit en de Rijksuniversiteit Utrecht ook iemand van de Rijksuniversiteit Groningen in de commissie hebben en dacht daarbij aan mij. Lucassen had zich daar zo krachtig tegen verzet als in dit gezelschap maar mogelijk was. Ik kwam volgens hem zoals ze meedeelde niet in aanmerking want ik was marxist en niet in het onderwerp thuis. Gerda meldde me dat er nog geen beslissing genomen was. Een bereidverklaring van de vakgroep Filosofie en Maatschappij waarvan ik voorzitter was zou haar helpen. Ik zei dat ik er over moest denken en het met Johan Frieswijk die een dissertatie over veen- en landarbeiders voorbereidde zou overleggen. Ik raakte pas door Gerda in het onderwerp thuis maar van Nederlandse zijde was er geen kennis van de Wanderarbeiter in het Noorden. In Duitsland bestond er wel literatuur over. We namen onder meer kennis van het degelijke klassieke onderzoek van Dr. Johannes Tack Die Hollandsgänger in Hannover und Oldenburg (1902). Onze kennis werd langzamerhand redelijk groot en vooral die van Frieswijk maar ik had geen zin in wrijvingen met jonge collega's die voor alles op carriere uit waren. Lucassen bleef tegen mijn deelname. Gerda beperkte zich niet tot de Duitse veenarbeiders maar ging zich ook steeds meer met de uit dit land afkomstige steenbakkers en glasblazers bezighouden en de interessante rol van de Tichelboden die na verloop van tijd bemoeienis hadden met de arbeidsvoorwaarden en leefomstandigheden. Terwijl de Duitse veenarbeiders overwegend godsdienstig waren gold dit veel minder voor de steenbakkers en helemaal niet voor de glasblazers. Dat had ze bij Ds Lenhartz gelezen (1860). Vervelend voor haar was dat ook Lucassen vanuit het arbeidsmarktperspectief aan de gang ging met de Groninger steenindustrie terwijl Gerda hier al veel tijd in gestoken had en dit bleef doen en vooral in de rol van de Tichelboden.

Zij richtte haar aandacht aanvankelijk op de stakingen van veenarbeiders in de jaren veertig van de negentiende eeuw rond Dedemsvaart. Duitse trekarbeiders vervulden hierbij een doorslaggevende rol. Haar eerste artikel ging hierover en verscheen in 1970 in het Mededelingenblad (van de Sociaal-Historische Studiekring) dat Albert Mellink en ik redigeerden. Typerend voor haar was dat onderwerpen nooit afgerond waren. Steeds viste ze nog nieuwe gegevens op. Vooral de 'keuren' (regelingen) intrigeerden haar. Veel tijd stak ze in de plaatselijke keuren op de veengraverijen in het noorden. Veel plichten en weinig rechten stelde ze vast. In 1973 verscheen er een omvangrijke tekst in de Nieuwe Drentse Volksalmanak. Typerend voor haar hele werk is de nadruk die zij legt op de positieve rol van de Duitse pastoors en predikanten. Zo verbood de pastoor in de staking van 1840 de Duitse roomse stakers aan het werk te gaan vóór hij daartoe het sein gaf. Voor Nederlandse verhoudingen ongekend. Gerda, zelf lid van de Protestantenbond en een trouw kerkganger, bleef tot het eind van haar leven geboeid door de band tussen christendom, sociaal verzet en de rol daarbij van de Hollandsgänger. Vooral voor de band met de afgescheidenen vond zij voortdurend aanwijzingen.

Opvallend en kenmerkend voor haar manier van schrijven is dat ze zichzelf en haar lezers voortdurend vragen stelt. Veel is onzeker. Ze had niet het stellige dat veel autodidacten eigen is. Typerend is ook haar brede opvatting van het onderzoeksterrein. Heel duidelijk blijkt dit uit haar overzicht in Spiegel Historiael (april 1977) waarin zij uitgebreid worstelde met het definiëren van Hollandgängerei aan de hand van de literatuur. Haar kracht lag in het onderzoek maar met de vormgeving had ze moeite zeker naarmate ze steeds meer gegevens bijeenbracht. Ze onderzocht bronnen waar nog niemand in Nederland aan gedacht had. De belangrijkste bronnen lagen volgens haar in Duitsland. Ze zei bij herhaling dat ze de eerste was die in Nederland naar dit belangrijke onderwerp van de Duitse trekarbeid onderzoek deed terwijl deze toch aanzienlijke invloed had gehad op de economie, cultuur en godsdienst. Over haar onderzoek schreef ze me (1 november 1971): "Als het niet zo verschrikkelijk arrogant klonk, zou ik willen zeggen: de inschakeling van de factor Hollandsgänger zou het hele beeld van de geschiedenis van onze noordelijke provincies wel eens gedeeltelijk kunnen wijzigen'. Dit moest ik echter maar voor me houden. Gerda was drukker met haar onderzoek dan met publiceren al maakte ze wel geregeld samenvattingen van wat ze over een bepaald onderwerp gevonden had.

Een hoogtepunt vormde in 1976 haar tekstuitgave van de notulen van de conferentie van Reiseprediger te Oeynhausen in 1866 en haar commentaar hierop. Deze geestelijken hielden zich uitgebreid met de arbeids- en levensomstandigheden van de Hollandgänger bezig.

Af en toe troffen we elkaar, soms bij mij thuis, op mijn instituut of een keer op de buitendag van de NVSG in Arnhem (14.11.1981) waar ik met Gerda, Bob Reinalda en Luchien Karsten lunchte. Gerda en ik haalden herinneringen op aan onze eerste kennismaking in 1969, haar Dedemsvaartonderzoek en de ontdekking van de rol van de Reiseprediger. Op de Clara Meyer-Wichmann bijeenkomst in Utrecht (16 oktober 1985) zag ik Gerda voor het eerst samen met Hilda Verwey-Jonker. Ze vertelden me stralend dat ze al van de schoolbanken af vriendinnen waren.

Met het oud worden kwam er een einde aan haar Alpenvakanties. Ze begon haar paperassen op te ruimen en uit te dunnen 'om niet veel rommel achter te laten' (brief 5.6.92). Op 12 juni 1998 belde Gerda. Ze zocht een bestemming voor de zuinig bewaarde spullen van de reis naar de Sovjet-Unie maar het IISG kwam daar volgens haar niet voor in aanmerking vanwege Jan Lucassen. Een collega die bij Gerda in de buurt woonde was bereid de spullen op te halen. Ze vroeg zich wel af wat er na mijn dood mee zou gebeuren.

Haar negentigste verjaardag op 5 januari 1995 werd uitgebreid gevierd. De werkgroep was vertegenwoordigd. Antje Kraus bleef logeren en verzorgde alles. Ze had veel gezelligheid en steun aan de werkgroep. Het oudworden hield haar bezig maar ook dat van mij. Ze had veel aan een boekje van H. van der Linde De pelgrimstocht der mensen; ouder worden, waarheen? (1993) en wilde dat ik het ook las. Gerda had buiten haar kerkgenoten niet veel mensen om zich heen. Ze had nog wel een zuster maar met haar had maakte ze alleen maar ruzie. Met Hilda Verwey en mij kon ze het echter goed vinden. Hilda zocht haar de laatste jaren elke zondagmiddag op.

Ze had al langer hartklachten en haar mobiliteit nam steeds meer af. Voor de laatste twee infarcten wilde ze zich niet meer laten behandelen. Ze was het zat en overleed op 29 maart 2000 in haar eigen huis te Driebergen dank zij de toewijding van haar huishoudelijke hulp en van haar tuinman. Ze wilde in Utrecht begraven worden op de begraafplaats waar ook het graf van haar ouders was. Vooral de geestverwanten van de Protestantenbond stonden rond haar graf. De predikante Nine Meynen die haar niet gekend had leidde de uitvaartdienst. Haar vriendin Hilda Verwey sprak over haar leven en werk. Het enige mij bekende in memoriam is dat van Minny Hol in het Bibliotheekblad (april 2001) waarin ook haar tijd in Tiel ter sprake komt.


Publikaties van Gerda van Asselt
‘De arbeidsonlusten van 1840 in de veenkolonie Dedemsvaart’, in: Mededelingenblad van de Sociaal-Historische Studiekring nr. 37, 1970,  pp. 22-40.
‘Enkele medelingen betreffende een aantal plaatselijke keuren op de veengraverijen in de noordelijke provinciën’, in: Nieuwe Drentse Volksalmanak, 1973, pp. 61-89; en 1974, pp. 84-102
“De Hollandgänger: gastarbeid in de 19e eeuw. De conferentie te Oeynhausen op 17 februari 1866; een hoofdstuk uit de geschiedenis van de “Reisepredigt”’, in: Tijdschift voor sociale geschiedenis, 1976, pp. 4-41.
‘De Hollandgängerei’, in: Spiegel Historiael, april 1977, pp.226-235.
‘De rooms-katholieke zielzorg te Dedemsvaart 1820-1840’, in: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, nr. 26, juni 1992, pp. 2-12.

Literatuur
F.G. de Ruiter, ‘Steenbakkers, Turfstekers, Hannekemaaiers. Gastarbeiders in de gouden eeuw’, in: De Volkskrant, 6 januari 1973. [het leven van Gerda van Asselt]
H. Verwey-Jonker, Er moet een vrouw in Amsterdam 1988.

Met dank aan Ypke Snoek-Mulder, Hilda Verwey-Jonker, Johan Frieswijk.